Geen kleren dragen is niet religieus, een boerka wel

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de axioma’s van niet-religieuze opvattingen.

Het eindexamen filosofie had dit jaar als thema ‘religie’. Daarbij kwamen nagenoeg alle actuele maatschappelijke kwesties over dit onderwerp aan bod. Zoals: is religie onverenigbaar met wetenschap – een vraag die momenteel vaak opduikt in discussies over evolutie versus creationisme. Maar ook: moeten religieuze mensen wettelijk beschermd worden in hun opvattingen – een kwestie die acuut is nu PVV-leider Geert Wilders op het punt staat vervolgd te worden voor zijn kritiek op de islam.

Zoals het een goed filosofisch onderzoek betaamt, begon het examen echter bij de meest wezenlijke – en veruit meest problematische – vraag die over dit onderwerp te stellen valt, namelijk: wat is een religie? De leerling werd gevraagd een „bruikbare definitie” te geven en vervolgens drie argumenten aan te voeren waarom een algemeen geldende definitie van religie problematisch is.

Het antwoordmodel kende punten toe aan antwoorden van deze strekking: ,,Een religie is een georganiseerde en geïnstitutionaliseerde vorm van zingeving waarbij een hogere macht of opperwezen centraal staat.’’

Als problemen voerde het model aan dat er, ten eerste, meerdere religieuze tradities zijn die dusdanig van elkaar verschillen dat ze onmogelijk zijn te herleiden tot een gezamenlijke essentie; ten tweede, dat er ook religies zijn zonder God of opperwezen (zoals het boeddhisme); en ten derde, dat religies niet te identificeren zijn aan de hand van hun – onderling verschillende – organisatiestructuur.

Nu is het niet mijn bedoeling het antwoordmodel van de examencommissie te bekritiseren: dit antwoord geeft de meest gangbare definitie van religie en de interpretatieproblemen die ermee samenhangen weer. Toch is, mijns inziens, het probleem met het definiëren van religie fundamenteler dan hier wordt gesuggereerd.

Dat probleem schuilt in het onderscheid tussen ‘religieuze’ opvattingen en praktijken en ‘niet-religieuze’ opvattingen en praktijken. De aanname is hier namelijk dat er zoiets bestaat als een grondslag waarop ideeën en tradities van mensen in ‘religieus’ en ‘niet-religieus’ kunnen worden onderverdeeld. Een dergelijke grondslag bestaat volgens mij niet – en om die reden is religie niet te definiëren.

Dat het onderscheid toch door bijna iedereen gemaakt wordt, berust denk ik op een semantisch (dat wil zeggen: talig) misverstand. Zoals in het antwoordmodel wordt gesteld, is religie een vorm van zingeving die zich baseert op een hogere macht of opperwezen. In de praktijk betekent dit het volgende: een opvatting of praktijk is religieus wanneer zij wordt gerechtvaardigd op grond van een verwijzing naar God. Zijn wil, zoals neergelegd in de geschriften van de religie, is het axioma waarop de opvatting of praktijk is gegrondvest. Dat wil zeggen, God is de rechtvaardiging die zélf geen rechtvaardiging behoeft: God is. En, belangrijker nog: God is goed.

Nu lijkt dit een voldoende onderscheidend kenmerk: niet-religieuze opvattingen zijn immers niet gebaseerd op dit axioma van een ‘hogere macht’. Maar het probleem is: dit is niets meer dan een semantisch onderscheid. Want, net als ‘religieuze’ opvattingen zijn ook ‘niet-religieuze’ opvattingen allemaal te herleiden tot een axioma, waarvan het bestaan én de morele waarde bij wijze van geloofsartikel als voor zichzelf sprekend worden beschouwd. Die axioma’s hebben slechts andere namen dan opperwezen: we noemen ze bijvoorbeeld ratio, empirische feiten, algemeen belang, vrijheid, gemeenschapszin, autonomie – en ga zo maar door.

De inhoud van die axioma’s verschilt wezenlijk, maar qua vorm zijn ze allemaal hetzelfde: het zijn door de mens geconstrueerde waardeoordelen die als rechtvaardiging van iets dienen, omdat ze voor waar worden gehouden. Zo is voor een liberaal het bestaan en de morele waarde van ‘vrijheid’ net zo onbetwistbaar als het bestaan en de morele waarde van God voor een christen of moslim. Ook een liberaal stelt: vrijheid is. En: vrijheid is goed.

Pas dit gegeven nu eens toe op de kwestie of abortus mag of niet: als iemand stelt dat abortus verboden zou moeten zijn, omdat dat tegen de ‘wil van God’ ingaat, wordt dat als een religieuze opvatting beschouwd – en daarom vaak als dogmatisch en onredelijk bestempeld. Als iemand echter stelt dat abortus zou moeten worden toegestaan, omdat een vrouw daarin ‘zelfbeschikking’ toekomt, of omdat een foetus nog geen ‘echt mens’ is, wordt dat als een niet-religieuze opvatting gezien.

Waarom eigenlijk? De redenaties zijn qua vorm precies hetzelfde: de ‘gelovige’ neemt aan dat er zoiets bestaat als ‘de wil van God’ en interpreteert dat axioma zo dat abortus niet gerechtvaardigd kan worden. De ‘ongelovige’ neemt aan dat er zoiets bestaat als ‘autonomie’ of ‘mens-zijn’ en interpreteert die axioma’s zo dat ze abortus rechtvaardigen.

En het punt is: ieder axioma is even onaantoonbaar en dus even dogmatisch. Daar zijn het axioma’s voor. Je kunt het bestaan van vrijheid, autonomie, zelfbeschikking of mens-zijn net zomin definitief bewijzen of ontkrachten als de begrippen opperwezen of God. Evengoed is niet te bewijzen dat zaken als vrijheid of zelfbeschikking op zichzelf goed en dus nastrevenswaardig zijn, zoals een ‘gelovige’ beweert dat de wil van God goed is en dus gehoorzaamd moet worden: dat zijn allemaal menselijke interpretaties, teruggebracht tot een onbetwistbare aanname.

Op dit punt in de discussie wordt echter door critici altijd gesteld dat een wetenschappelijk wereldbeeld wél verschilt van een religieus wereldbeeld: „Religieuze overtuigingen worden op een andere manier gerechtvaardigd dan wetenschappelijke overtuigingen. In tegenstelling tot wetenschappelijke uitspraken hebben religieuze uitspraken geen feitelijk, maar een metafysisch of moreel karakter”, stond bijvoorbeeld in het examen.

Dit is het klassieke onderscheid tussen wetenschap en religie, die volgens mij berust op een schijntegenstelling waar alle spraakverwarring over religie uit voortvloeit. De aanname is hier namelijk dat wetenschappelijke feiten, anders dan religieuze uitspraken, niet gefundeerd zouden zijn op metafysische aannames. Dat is echter een wijdverbreid misverstand. Wetenschap berust op een ándere metafysische aanname, namelijk niet op een transcendente God, maar op de transcendente rede – een term die werd geïntroduceerd door Immanuel Kant, maar te herleiden is op de stelling van René Descartes dat het ‘denken zelf’ niet te betwijfelen is (,,Ik denk, dus ik ben’’).

Dit leidt de wetenschapper tot het aannemen van talloze axioma’s, zoals het bestaan van tijd en causaliteit, het onderscheid tussen materie en geest en het primaat van de ervaring in de vorming van kennis. Om die reden kan een wetenschapper ook niet verklaren wat tijd, causaliteit, geest of ervaring ‘feitelijk’ is: die zaken gaan in zijn wereldbeeld vooraf aan de feiten. Met andere woorden, dat zijn ook geloofsartikelen: aannames die door bijna evenzoveel filosofen worden betwijfeld als er atheïsten zijn die niet geloven in God.

Dat de wetenschap geen morele uitspraken doet, is overigens alleen juist voor zover ze niet voorschrijft wat een mens moet doen. Maar wetenschap wordt voortdurend ingezet voor morele oordelen: dat is onderzocht en aangetoond dat roken ‘slecht’ is voor de mens veronderstelt dat het behoud van lichaamsfuncties en het verlengen van het leven ‘goed’ is. Met andere woorden, ook wetenschap staat vaak in dienst van datgene wat wordt verstaan onder ‘welzijn’ – en is in die zin dus moreel. Ze wordt alleen op een andere manier ingezet om mensen te overtuigen: niet met een heilig boek, maar met ervaringsfeiten en correlaties.

Ik zou er dan ook voor pleiten om, waar het zingeving betreft (dus als het gaat om morele oordelen), het onderscheid tussen ‘religieus’ en ‘niet-religieus’ te laten varen. In de politieke praktijk vloeien er namelijk allerlei schijnproblemen uit voort, waar politici veel tijd aan verdoen. Zo debatteren we in Nederland al jaren over de vraag of een boerka wel of niet mag worden verboden, omdat het beschouwd wordt als een ‘religieuze’ traditie, gebaseerd op de ‘islamitische’ overtuiging dat een vrouw zich niet mag tonen aan vreemden. Dus, zeggen tegenstanders, is een verbod in strijd met de vrijheid van godsdienst.

Maar zouden we deze discussie ook hebben gevoerd als het ging om een nudist, die naakt over straat wil lopen of naakt voor de klas wil staan, omdat hij ervan overtuigd is dat kleren dragen verwerpelijk is? Dat lijkt me niet. En de reden is: we scharen, zonder goede reden, het gedachtengoed nudisme onder de noemer ‘cultuur’ of ‘politiek’, maar het gedachtengoed islam onder de noemer ‘religie’.

Dit onderscheid wordt bovendien helemaal problematisch, wanneer politici die ‘religieuze opvattingen’ politieke immuniteit toedichten, zoals PvdA’er Thijs Berman onlangs deed bij Pauw & Witteman. In een discussie met Barry Madlener (PVV) stelde Berman: „Ik vind het buitengewoon pijnlijk en schandalig dat je mensen uitsluit vanwege hun geloof. We leven in een vrij land en wat er tussen jouw oren zit, gaat mij als politicus niet aan. Je moet je aan de wet houden, maar wat jouw geloof is, gaat mij niet aan.” Daarop zei Madlener: „U ziet de islam als een geloof en dat is uw denkfout. […] De islam is een ideologie.”

Nu ben ik het volledig eens met Berman dat het schandalig is hoe de PVV moslims probeert uit te sluiten van onze samenleving, maar zijn argumentatie berust, zoals Madlener stelt, inderdaad op een denkfout: hij beschouwt het geloof van mensen (‘wat er tussen je oren zit’) als een privébezit waar de politicus niets over heeft te zeggen. Als dat zo was, konden we de politiek wel opdoeken: politiek bestaat bij gratie van wat er ‘tussen onze oren zit’.

Zou een geloof politiek immuun zijn, dan zou Berman ook niets te zeggen hebben over Madleners overtuiging dat de islam een bedreiging is en moslims daarom bij de grens geweerd moeten worden. Dat is immers niet meer of minder een politieke opvatting dan, zeg, de overtuiging van moslims of christenen dat homoseksualiteit verwerpelijk is en dus uitgebannen moet worden. Kortom, Berman trapt hier in de val van dat onheuse onderscheid tussen een ‘religieuze’ opvatting (homoseksualiteit is verwerpelijk) en een ‘politieke’ opvatting (de islam is verwerpelijk).

Als een opvatting wordt uitgedragen, gepredikt, in praktijk wordt gebracht en overgedragen aan het nageslacht, heeft Madlener als politicus dus alle recht om zich daarmee te bemoeien, zoals ook Thijs Berman alle recht heeft om zich tegen Madleners opvattingen te verzetten. Zoals de schrijver Gerard Reve zei: „Het is niet de taak van een moderne, pluralistische, democratische rechtsstaat de aanhangers ener godsdienstige overtuiging een speciale bescherming te verstrekken, die hij de aanhangers van een politieke overtuiging onthoudt.”

De leerling die dat heeft ingevuld bij vraag 1 van het eindexamen, verdient een tien.