Er wordt voedsel verbouwd maar niet voor hen

Ontwikkelingslanden verpachten grond aan rijkere landen, die er voedsel voor de eigen markt op verbouwen.

Neokolonialisme of juist gunstig voor de arme landen?

Een Chinese toezichthouder bij de aanleg van een weg in Ethiopië. Critici noemen de Chinese investeringen in infrastructurele projecten in Afrika, in ruil voor grondstoffen , soms 'neokoloniaal'. (Foto AFP) A Chinese construction worker (R) supervises the building of a road in Addis Ababa, 27 April 2007. Ethiopian rebels holding seven Chinese oil workers captured during an attack this week on a Chinese oil venture in Ethiopia said 26 April they would release them "as soon as possible". AFP PHOTO/SIMON MAINA AFP

Het is een potentiële buitenlandse investering in infrastructuur en werkgelegenheid. Maar ook een bedreiging voor het grondbezit van kleine boeren en hun toegang tot zoiets essentieels als water.

Dat stellen internationale onderzoekers vast in de eerste gedetailleerde studie naar een betrekkelijk nieuw en omstreden verschijnsel: de verpachting door ontwikkelingslanden van landbouwgrond aan rijkere landen, zodat die er voedsel en biobrandstoffen kunnen produceren voor hun eigen markten. Sinds 2006, in slechts drie jaar tijd dus, hebben ontwikkelingslanden 15 tot 20 miljoen hectare grond verhuurd aan buitenlandse (overheids)investeerders, zo blijkt uit gegevens van het in Washington gevestigde International Food Policy Research Institute (IFPRI). Een gebied zo groot als het totale landbouwareaal van Frankrijk en, zo becijferde het IFPRI, een markt waarin inmiddels 20 tot 30 miljard dollar (14 tot 22 miljard euro) omgaat.

Directeur Jacques Diouf van de VN-voedselorganisatie FAO noemde de internationale grondverhuur eerder ‘neo-koloniaal’, omdat uitgerekend arme landen, waar de voedsel- en brandstofprijzen vorig jaar sterk stegen, rijkere landen steeds meer voorzien van maïs, meel en biobrandstof. Zo stelt Ethiopië, waar volgens de VN hongersnood dreigt, grond beschikbaar aan bijvoorbeeld Saoedi-Arabië. Voorstanders van de landbouwakkoorden wijzen op vermeende voordelen voor armere economieën in de vorm van kapitaalinjecties.

Voor het eerst is er nu wereldwijd onderzoek gedaan naar alle bilaterale landbouwakkoorden. Twee VN-organisaties belast met voedsel en landbouw, de FAO en het International Fund for Agricultural Development (IFAD), hebben resultaten gepubliceerd van onderzoek dat zij deden samen met het Britse International Institute for Environment and Development (IIED). De verpachting van landbouwgrond aan buitenlandse bedrijven, investeringsfondsen en overheden is een mondiaal verschijnsel, maar het rapport Land grab or development opportunity? Agricultural investment and international land deals in Africa richt zich op Afrika, waar de meeste grond wordt verhuurd. De onderzoekers deden veldwerk in vijf landen waar sinds 2004 circa 2,5 miljoen hectare grond is verhuurd: Ethiopië, Ghana, Madagaskar, Mali en Soedan.

De onderzoekers nuanceren de allergrootste zorgen over de grondverhuur, door te wijzen op de potentiële voordelen voor de Afrikaanse landen. „Afrika snakt al decennia naar investeerders, dus laten we onszelf niet meteen in de voet schieten”, zei Harold Liversage, een deskundige van IFAD, tegen persbureau Reuters.

De voornaamste investeerders zijn (semi)overheidsbedrijven en -investeringsmaatschappijen uit Midden-Oosterse en Aziatische landen die veel geld verdienen met olieverkoop, die een snelle economische groei (en navenante groei van de behoefte aan brandstof en voedsel) doormaken en die zelf matige tot slechte landbouwvoorzieningen hebben. Zo investeren Qatar en Koeweit in Soedan.

De onderzoekers wijzen echter ook op de nadelen van de landbouwakkoorden. Veel Afrikaanse landen ontberen heldere rechtsregels over grondbezit en natuurbescherming. Worden er geen duidelijke afspraken gemaakt, dan „neemt het risico toe dat arme mensen van hun land worden gezet of toegang tot grond, water en andere voorzieningen verliezen”.

Een voorbeeld van een akkoord dat meer kwaad dan goed heeft gedaan is dat van Madagaskar met het Zuid-Koreaanse Daewoo, voor de exploitatie van 1,3 miljoen hectare grond – de helft van alle landbouwgrond in Madagaskar. De deal voedde de onvrede onder arme Malagassiërs en veroorzaakte de golven van volkswoede waarop in maart de populist Andry Rajoelina naar een staatsgreep tegen president Marc Ravalomanana surfte. Rajoelina heeft gezegd dat de overeenkomst met Daewoo niet doorgaat.

Het debat over de voor- en nadelen van de grondverhuur vertoont overeenkomsten met de discussie over de pro’s en contra’s van buitenlandse (lees: Chinese) investeringen in Afrika. Critici noemen de Chinese investeringen in infrastructurele projecten in ruil voor grondstoffen (te vergelijken met de landbouwproducten) soms ook ‘neokoloniaal’. Voorstanders zeggen dat de soepel verstrekte leningen en investeringen juist gunstig uitpakken voor Afrika, zoals ook voorstanders van de landbouwakkoorden zeggen.

Overigens zoekt China wel landbouwgrond in Afrika, maar dan vooral voor biobrandstof of als investeringsmogelijkheid an sich; niet zozeer om de eigen voedselvoorziening veilig te stellen, aldus het rapport. Dat doet China vooral in Zuidoost-Azië.

    • Mark Schenkel