Dokter Hermans wil naar de tropen

Anne Hermans is tropenarts en doet vanaf vandaag regelmatig verslag van haar ervaringen. Deze week solliciteert zij bij een internationale hulporganisatie. Aflevering 1: Joan Bertels.

Met twee handen graaf ik door de berg wasgoed: waar ís die kloteportemonnee? Vannacht toch bij de shoarmaboer laten liggen? Kwart voor twee; ik moet nú weg. O nee, eerst omkleden. Hakschoentjes, witte broek. Het moet netjes, maar niet ‘on-tropenartsig truttig’.

Ik spring op de fiets en een kwartier later sta ik hijgend voor een vrouw van middelbare leeftijd, in een vormelijk broekpak met on-matchend vrolijk Afrikaans sjaaltje. „Joan Bertels”, klinkt een benepen zachte g. Ze werpt een blik op mijn cv. „Ik zie dat je erg veel hebt ondernomen buiten je studie…” Ik knik trots, maar Joan fronst. „Kun je dan wel maanden zonder afleiding in een compound leven?” Ik begin een antwoord, maar Joan lijkt al vijf vragen verder. „Dat moet zich dus nog bewijzen”, concludeert ze. „En kun je omgaan met protocollen?” „Veiligheidsvoorschriften?” „Dreigend gevaar?” „Gewapend conflict?” „Cultuurverschillen?”

Ik start een betoog en ze vernauwt haar ogen. „Je verdiepen in een taal en cultuur?” „Dan ben je niet geschikt voor noodprojecten, want daar is dan geen tijd voor.”

Ze krabbelt iets op haar blocnote en vervolgt haar spervuur: „Maak je graag dingen af of ben je perfectionistisch?” „En hoe functioneer je in de hiërarchie die nodig is in noodsituaties?”

Ik veer op: „Na anderhalf jaar tussen chirurgen heb ik wel geleerd…”

„Dus je laat je ondersneeuwen.” Streep op haar papier. „Kun je wel samenleven met anderen?” „Een makkelijke huisgenoot?” „Maar als je alles maar pikt, kan dat je opbreken.”

Het is inmiddels bijna twee uur later. Ik staar naar Joan, de samengeknepen oogjes achter haar weerspiegelende brillenglazen. Joan heette tot drie jaar terug waarschijnlijk gewoon Johanna Maria Geertruida Bertels. Opgegroeid in Veghel, elke week steevast op het derde bankje in de kerk. Op een zondag stond ze op, vervloekte haar seksloze leven, besefte dat 52 nooit te jong is voor een tweede jeugd, en stootte haar man aan: ‘Vanaf vandaag heet ik Joan. En ik ga naar Afrika om negers te helpen.’

Ik klem mijn handen om het tafelblad, om Joan niet acuut bij haar sjaal te grijpen, mijn mond gevaarlijk dicht bij haar gezicht: ‘Wát wil je precies horen, Johanna? Dat ik een rommelige idioot ben, voor de derde keer mijn portemonnee kwijt, rennend van feest naar interview om geen kans te missen? Diep in de war, omdat ik liever dokter ben dan schrijver? Omdat ik ver weg wil op missie, net nu ik mijn liefde heb gevonden?’ Onhandig doet ze een poging de spetters spuug van haar bril te vegen. ‘Ja, Johanna. Dat ben ik allemaal. En toch ben ik de tropenarts die jullie zoeken. Die secuur is, zich kan aanpassen, omgaan met hiërarchie en protocollen, en dat alles zonder een perfectionistische freak te zijn zonder ruggegraat. Kijk dan naar mijn cv, muts, in hoeveel landen ik zonder problemen gewerkt heb! Of vraag wie dan ook van mijn oude bazen of ex-collega’s hoe ik werk. Maar hou op me in een hokje te plaatsen waar ik niet in pas!’

Met moeite schud ik dit visioen uit mijn hoofd en land weer in de kamer, waar Joan me ondertussen net het vervolg van de procedure heeft uitgelegd. „Ik kan niets beloven”, besluit ze. „Maar we hebben een langlopend hiv-project in Azië. Er zit daar een groot internationaal team en ik denk dat je daar heel goed in zou passen.”

De beschreven gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden. De namen zijn gefingeerd. Van Anne Hermans ligt de column-bundeling Het wittejaseffect nu in de winkel.