De nieuwe gestrengheid is beter voor kansarme leerling

Zonder stelselwijziging of blauwdruk verandert het onderwijs toch van koers, stelt Ronald Plasterk. De leraar krijgt meer armslag. En leren hoeft niet alleen maar leuk te zijn.

Sociaal-democraten is vaak verweten het onderwijs naar de knoppen te hebben geholpen met stelselwijziging na stelselwijziging. Nu ik halverwege mijn (eerste) periode ben als minister van Onderwijs, wil ik stilstaan bij de vraag: kan een onderwijspolitiek zonder blauwdrukken en stelselwijzigingen? Wat levert het op? Wat moeten we nog doen?

In deze kabinetsperiode voltrekt zich een gestage koerswijziging. Ten eerste geen gepraat over stelsels. De kwaliteit van het onderwijs wordt vooral bepaald door wie er als docent voor de klas staat. Daarom zijn we gekomen met een ‘Actieplan Leraren’, dat tot doel heeft de positie van de leraar te verbeteren. Het bevat immateriële verbeteringen (zeggenschap, toegang tot vervolgopleidingen), maar ook beloning (meer mogelijkheden in hogere schalen te komen, een snellere stijging van het salaris binnen een schaal). Het bedrag dat hiervoor per jaar beschikbaar is loopt op tot een miljard; tweederde daarvan binnen deze kabinetsperiode. Er is vastgelegd dat het geld aan de leraren ten goede komt en niet kan blijven hangen bij de besturen. Geen blauwdruk, maar de leraar versterken – een bewuste politieke keuze.

Een tweede koerswijziging: in de afgelopen decennia heeft het toepassen van bedrijfsmatige modellen, met de wind van het neoliberalisme in de rug, geleid tot schaalvergroting. Waar ooit elke school een eigen bestuur had, zijn er nu halve provincies waar alles bestuurlijk gefuseerd is. De vergoeding per leerling die de overheid scholen geeft, blijft voor en na fusie gelijk. Dit kabinet heeft voor het eerst ook een scherp oog voor de schaalnadelen. Een wet waarmee onverstandige fusies tegengegaan kunnen worden, is de ministerraad gepasseerd.

Een derde onderwerp is de vroege selectie van studie of schoolkeuze. Na het (terechte) stoppen van de Middenschool leek er een soort taboe te ontstaan op elk denken over selectiemomenten. Daarvoor was al onder druk van bezuinigingen het zogenaamde ‘stapelen’ (na mavo doorgaan naar havo en vwo) afgesloten als ‘inefficiënte leerweg’, terwijl het een goede weg voor sociale stijging is. Zonder aan te koersen op weer een stelselwijziging onderzoeken we hoe we kinderen kunnen laten kiezen op voor hen geschikte momenten. Een voorbeeld is de mogelijkheid die staatssecretaris Van Bijsterveldt heeft geschapen, om leerlingen, terwijl ze op het vmbo zitten, vakken op havo-niveau te laten doen.

Ten slotte. Ik heb eerder bepleit de gestrengheid terug te brengen in het onderwijs. Daarmee bedoel ik dit: je kunt alle onderwijs plaatsen op een as tussen twee uitersten: het ontplooiingsmodel en het instructiemodel. In het eerste gaat de docent samen met de leerling op zoek naar wat de leerling kan en wil. In het instructiemodel weet de volwassene wat een kind moet leren en draagt de docent de kennis en vaardigheden over. De tendens is de laatste decennia te veel naar het eerste gegaan. Voor kinderen uit bevoorrechte milieus is de schade beperkt, omdat ouders thuis lacunes kunnen signaleren en repareren. Maar kinderen uit achterstandsgezinnen hebben de structuur en de gestrengheid op school nodig.

Daarom heb ik samen met staatssecretarissen Dijksma en Van Bijsterveldt de ‘Doorlopende Leerlijn Rekenen en Taal’ vastgesteld, waarin je precies kunt zien wat elk kind op elk niveau en elke leeftijd zou moeten weten. En daarom heeft staatssecretaris Van Bijsterveldt de eindexameneisen aangescherpt, verhogen we het aantal contacturen in het hoger onderwijs en zijn we terughoudend om nieuwe zaken aan de kerndoelen toe te voegen.

Schooluitval is een groot probleem, en het halveren van het aantal uitvallers is een van de tien hoofdprojecten van het kabinet. Ik verwacht dat we deze doelstelling zullen halen. Een ander type uitval is het niet afmaken van het eerste jaar van universiteit of hbo als gevolg van een verkeerde studiekeuze. Dit wordt verbeterd, onder meer via persoonlijke kennismakingsgesprekken.

In Nederland vraag je aan je kinderen na een schooldag: ‘Was het leuk op school?’ en niet: ‘Wat heb je geleerd op school?’ Natuurlijk moet de school een plezierige omgeving zijn, maar er mag best wat vaker gevraagd worden wat er geleerd is. Juist voor sociaal-democraten, die nadruk leggen op volksverheffing, is structuur en gestrengheid verre te verkiezen boven vrijblijvendheid.

De nieuwe gestrengheid kan ook blijken uit huisregels en omgangsvormen. Ik kwam laatst op een vmbo. Toen we nog buiten liepen vroeg de directeur bezorgd: „Houdt u uw hoed op straks in de aula?” „Natuurlijk niet”, zei ik, „je hebt binnen ook geen jas aan.” „Fijn”, zei hij opgelucht, „want onze kinderen leren dat ze geen petjes op mogen binnen. En ook geen mp3-spelers trouwens”. Hij heeft natuurlijk groot gelijk.

Kan je een stevig onderwijsbeleid voeren zonder blauwdrukken? Ik ben overtuigd van wel. Het onderwijs is natuurlijk een mammoettanker. Wat in dertig jaar van koers is geraakt, kan niet in twee of vier jaar geheel worden bijgestuurd. En dus zijn er nog steeds instellingen waar DOLA-uren bestaan (Docent Op Loop Afstand!). Ik word nog steeds aangesproken door hbo-studenten die klagen dat ze acht uur per week les krijgen, terwijl ze een voltijdstudie doen. En er vallen eerstejaars pabo-studenten uit, omdat ze basisschoolkennis rekenen en taal missen.

Er is nog een hoop te doen voor we op koers zijn. Dat is niet erg, als de richting maar duidelijk is.

Ronald Plasterk (PvdA) is minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.