De knettergekke flapdrollen van het Binnenhof

Het was me nooit eerder opgevallen, maar tijdens het vragenuurtje zag ik ineens dat Bert Koenders zijn antwoorden als het ware kracht bij zet door zich zo nu en dan even op de tenen te verheffen, waardoor hij gedurende nooit veel meer dan één lettergreep langer lijkt dan toch al. Je denkt eerst dat hij de hik heeft, maar al gauw merk je dat hij z’n betoog op die manier accenten meegeeft, en ook fysiek probeert de hoofdlijnen van zijn ontwikkelingstheorie te onderstrepen, zodat zelfs de domste leden van de Tweede Kamer hem kunnen volgen.

Terwijl ik het aantal hikjes per minuut turfde, bleek er plotseling een ruzietje aan de gang tussen hem en het SP-lid Irrgang, die insinueerde dat hij het oor minder vaak naar de Derde Wereld laat hangen dan naar Wall Street en de Londense City. Dat liet Bert vanzelfsprekend niet over z’n kant gaan, en hij wilde het debat zelfs nog voortzetten toen Irrgang door mevrouw Verbeet al was teruggestuurd naar z’n plaats, en een volgende vragensteller klaar stond achter de interruptiemicrofoon.

Maar in plaats van beleefd te luisteren, bleef Koenders naar de hoek van de Socialisten kijken, hoorde daar blijkbaar iets, en klaagde bij de Kamervoorzitter dat de geachte afvaardigde Marijnissen ‘flapdrol’ naar hem had geroepen. Waarop hij door het presidium terecht werd gewezen, want hij moest nu audiovisueel alle aandacht schenken aan de volgende spreker.

Flapdrol? Ik had het niet gehoord, en begreep pas later dat Marijnissen het woord nota bene drie keer had gebezigd! Maar waarom flapdrol? Als ik Bert bezig zie, en zeker op die tenen, schiet mij zelf ook wel eens het gedrag te binnen van bijvoorbeeld de liberale Arend Jan Boekestijn, maar die associatie verwerp ik dan ook meteen weer. Wat had Bert gedaan of gezegd of verzwegen dat Marijnissen aan een flapdrol deed denken? Maar had hij wel precies gezegd wat Bert had verstaan?

Ik denk dan natuurlijk aan de door Jan indertijd zelf in het leven geroepen verwarring na het ponteneursheibeltje met toenmalig voorzitter Frans Weisglas, die hem het woord had willen ontnemen. Marijnissen had toen, heel parlementair,‘Even dimmen’ gezegd, en was door blijven praten. Maar kort daarna had hij – raspopulist – een nieuw boekje van zijn hand de titel Effe dimmen! meegegeven, en sindsdien gelooft iedereen dat hij het toen zó heeft gezegd. Ik heb zeker al een keer of tien geschreven hoe ’t echt zat, maar nog vorige week las ik dat de NOS een canon voorbereidt van beroemde politieke aforismen, en ja hoor: Effe dimmen zit er weer tussen.

Die Jan. Urheber van een Nationaal Historisch Museum. Maar als het hem uitkomt, vervalst hij de geschiedenis waar je bij staat.

Fractievoorzitster Agnes Kant (ook als ze lacht, hangen haar mondhoeken van verongelijktheid naar beneden) steunde na het incidentje met Koenders vierkant haar backbencher. Ik weet niet of het uit haarzelf kwam, of dat een van de zeshonderd in Den Haag geaccrediteerde parlementaire verslaggevers haar herinnerde aan vroegere invectieven, maar ze zei:

‘Ik vind ‘flapdrol’ niet te vergelijken met de kwalificatie ‘knettergek’ die Geert Wilders indertijd voor voormalig minister Ella Vogelaar gebruikte. ‘Flapdrol’ is een keurig Nederlands woord, en in dit geval een terechte constatering.’

Zou dat type ruzie als van buren die elkaar op de trap van één tot en met drie hoog voor de lelijkste dingen uitmaken, vooral met de aanstaande Europese verkiezingen te maken hebben? Ik vrees het. Maar zou Europa, stél dat het bestond, zulke herrieschoppers wel in z’n parlement begeren? Gelukkig heeft Europa niks gehoord. Marijnissen kan roepen wat hij wil, maar pas als hij het door een microfoon heeft geroepen, is het voor de geschiedschrijving gezegd.