Ontvoerde kinderen zijn nog niet vermist

Gisteren werd de Dag van het vermiste Kind gehouden.

Ontvoerde kinderen zijn lang niet altijd spoorloos, hun ontvoerders lang niet altijd islamitische vaders.

Het Centrum Internationale Kinderontvoering is niet zo gelukkig. Aan de vooravond van de internationale Dag van het vermiste Kind, gisteren, meldde het Korps Landelijke Politiediensten dat het aantal ontvoerde kinderen uit Nederland vorig jaar is gestegen tot 260. Maar volgens het Centrum Internationale Kinderontvoering is het merendeel van de kinderen dat door een van de ouders illegaal wordt meegenomen, helemaal niet vermist. In 80 procent van de gevallen is hun verblijfplaats bekend.

Bij kinderontvoeringen wordt meestal gedacht aan aangrijpende voorbeelden zoals de Nederlandse kinderen Ammar (13) en Sara (11), die in 2004 door hun Syrische vader na vakantie tegen de wil van hun Nederlandse moeder in Damascus werden gehouden. Zij zochten in juli 2006 hun toevlucht in de Nederlandse ambassade aldaar. Het kostte minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot (CDA) heel wat diplomatieke onderhandelingstactiek om de kinderen terug te krijgen in Nederland.

Syrië heeft, net als veel andere islamitische landen rondom de Middellandse Zee, het Haags Kinderontvoeringsverdrag uit 1980 niet ondertekend. 76 landen deden dat wel, waaronder Nederland. Vóór het verdrag bleek ontvoering meestal succesvol voor de ontvoerende ouder.

Over kinderontvoering bestaan veel misverstanden. „Ontvoerde kinderen zijn geen vermiste kinderen”, zegt Els Prins, directeur van het Centrum voor Internationale Kinderontvoering. „Bij ons staan 144 kinderen als ontvoerd vermeld, maar we weten precies waar ze zich bevinden. Het is en blijft treurig, maar ze zijn niet kwijt.”

Een tweede misverstand is dat de meeste ontvoeringen worden gepleegd door moslimvaders. In werkelijkheid gaat dat maar om 15 procent, zegt Prins. „Dat probleem wordt zwaar overdreven. 70 procent van de ‘ontvoerders’ zijn moeders, 30 procent vaders. Vaak nemen de moeders hun kinderen nietsvermoedend mee terug naar Nederland uit het land waar ze met hun echtgenoot hebben gewoond. Zodra de andere ouder dan een verzoek doet om het kind terug te halen, ben je volgens het verdrag een kinderontvoerder. Dat weten moeders vaak niet. Die denken hun kinderen gewoon mee te nemen naar hun moederland, waar ze familie hebben en op hulp rekenen bij de scheiding.”

Men spreekt van internationale kinderontvoering als een kind naar een ander land wordt overgebracht of daar wordt vastgehouden, in strijd met het gezagsrecht van het land waar het kind woonde of zonder toestemming van de andere ouder.

Als een kind wordt geboren binnen een huwelijk, dan hebben beide ouders zeggenschap over het kind. Is het kind buitenechtelijk, dan heeft de moeder het gezag. De vader kan het kind erkennen, maar heeft daarmee nog niet onmiddellijk het gezag. Dat moet hij aanvragen bij de rechtbank in zijn woonplaats. De moeder moet daarmee instemmen.

Bij echtscheiding moeten gezag en omgangsregelingen worden geregeld in het land waar men het laatst gezamenlijk heeft gewoond. Maar elk land heeft andere regels omtrent erkenning en gezag.

Alle staten die het Kinderontvoeringsverdrag hebben getekend, wijzen een Centrale Autoriteit aan die de naleving ervan moet garanderen. Als de achtergebleven ouder het kind terugeist, komt deze Centrale Autoriteit in actie. Weigert de ‘ontvoerder’, dan kan het tot een rechtszaak komen.

Het verdrag gaat ervan uit dat het altijd in het belang van het kind is terug te keren naar de oorspronkelijke gemeenschappelijke woonplaats. In de praktijk, constateerde de Ombudsman al in 2002, pakt dat vaak nadelig uit voor de moeder, die berooid terugkeert naar Nederland. De Ombudsman pleitte toen al voor aanpassing van het verdrag, dat moeders veel te snel tot kinderontvoerders bestempelt en alle macht bij de vaders legt.

„Het terugsturen van de kinderen naar het land waar beide ouders samen hebben gewoond leidt vaak tot langdurige ellende, die niet in het belang van het kind is”, zegt Prins. „Dat is een tekortkoming in het verdrag.”

    • Laura Starink