Nooit meer botsen zoals de Titanic

Het ijsbergseizoen is in volle gang. En sinds enkele jaar komen er meer ijsbergen. De Internationale IJspatrouille brengt ze dagelijks in kaart.

Guur winterweer teistert het vliegveld van St. John’s, het hoofdstadje van de Canadese provincie Newfoundland: koude wind, natte sneeuw. Maar de omstandigheden zijn goed genoeg om op te stijgen, horen de leden van de Internationale IJspatrouille (International Ice Patrol) vroeg in de ochtend bij het weeroverzicht. John Stengel, gezagvoerder van de missie: „We gaan op jacht naar ijsbergen!”

Een militair vrachtvliegtuig van de Amerikaanse kustwacht staat klaar om het team van de Internationale IJspatrouille over het zoekgebied te vliegen: de Noord-Atlantische Oceaan, enkele honderden kilometers ten oosten van St. John’s. Systematisch gaan de ijszoekers er de zeespiegel uitkammen, om ijsbergen te registreren.

Actuele gegevens over de locaties en afmetingen van ijsbergen, en hun vermoedelijke drijfroutes, worden doorgegeven aan schepen op de drukke vaarroutes tussen Noord-Amerika en Europa. Doel: scheepsrampen voorkomen – zeker in drukke ijsbergtijden als nu.

„We letten op ijsbergen die ten zuiden van de 48ste breedtegraad drijven. Zij vormen een gevaar voor schepen”, roept commandant Scott Rogerson via het intercomsysteem met koptelefoons: in de cabine is de herrie oorverdovend.

Ondanks radars en satellieten blijven ijsbergen verraderlijke obstakels, die met relatief gemak aan signalering ontsnappen. „Zware golfslag belemmert radars, satellieten worden gehinderd door wolken. Kleinere ijsbergen worden niet altijd vastgelegd. En die kunnen het gevaarlijkst zijn, uitgerekend omdat je ze niet ziet.”

Menselijke observatie blijft daarom geboden – en de ijsbergjagers hebben het er druk mee, want de laatste jaren wemelt het van de ijsbergen ten zuiden van ‘48’: vorig jaar dreven er bijna duizend het gebied van de scheepvaart binnen tijdens het seizoen (dat loopt van februari tot juli/augustus). Het jaar daarvoor waren het er 324, na enkele rustige jaren. Dit jaar zijn er 375 gesignaleerd, al is het nog maar vroeg in het ijsbergseizoen. „Het belooft opnieuw een zeer actief ijsbergjaar te worden.”

Dat betekent in de eerste plaats gevaar voor de scheepvaart. „IJsbergen kunnen moeilijk te zien zijn voor schepen, zeker bij slecht weer of ’s nachts, tussen de witte schuimkoppen van de golven. Wat ze extra gevaarlijk maakt, is dat zevenachtste deel van de ijsmassa zich onder water bevindt. De kans op een botsing is niet groot, maar de schade kan enorm zijn.”

Hóé enorm is bekend door de Titanic, het passagiersschip dat in april 1912 zonk na een aanvaring met een ijsberg: 1.517 mensen kwamen om. De ramp vormde de aanleiding voor het ontstaan van de IJspatrouille, een initiatief van 13 landen met belangen in de trans-Atlantische vaart, waaronder Nederland. Sinds 1913 zijn, met uitzondering van de periodes van de twee wereldoorlogen, elk jaar ijsbergpatrouilles uitgevoerd in het noordwestelijke oceaangebied – aanvankelijk door marineschepen, de laatste decennia door vliegtuigen van de kustwacht.

Aangekomen bij het zoekgebied nemen de ijsbergzoekers plaats aan ramen aan de zijkant van het toestel, verrekijkers en laptops bij de hand. Het toestel daalt af tot onder het wolkendek. Bijna direct is raak. „IJsberg”, roept Lee Brittle, ijswaarnemer eerste klas. Linksonder het toestel dobbert een witte massa met een spitse top.

Vanaf 1.500 voet ziet het gevaarte er sereen uit. De coördinaten worden vastgelegd: 45 graden 51 minuten noorderbreedte, 47 graden 46 minuten westerlengte. „Hoe groot schat je hem in”, klinkt het via de intercom. „Middelgroot”, is het antwoord; de berg heeft nog een week of twee te gaan.

De grote hoeveelheid ijsbergen van de laatste twee jaar roept vragen op over klimaatverandering. Vooral omdat de opmerkelijke stijging volgt op een periode van droogte: in 2005 en 2006 samen werden slechts elf ijsbergen geteld ten zuiden van de 48ste parallel. Vanwaar dat grote verschil?

IJsbergen in de Noord-Atlantische Oceaan zijn over het algemeen afgebroken stukken ijs van de gletsjers van westelijk Groenland; elk jaar kalven er 20.000 tot 40.000 af, in alle vormen en maten. De blokken dichtbevroren zoetwater doen er twee à drie jaar over om naar het zuiden te drijven, via de zogenoemde ‘Iceberg Alley’ langs Newfoundland de drukke vaarstrook van de oceaan op. Slechts een fractie van alle ijsbergen haalt de 48ste breedtegraad. Meer van die brokstukken in zuidelijke wateren: wijst dat op een snellere afbrokkeling van de ijskap?

Rogerson is terughoudend. Er zijn altijd pieken en dalen geweest bij de aantallen ijsbergen per seizoen. En dus betekent een piek nog geen onomkeerbare trend. „Hoeveel ijsbergen afdrijven naar het zuiden hangt af van stromingen, weer en wind”, zegt hij. „Het is onze taak om ze op te sporen.”

En dan vooral om vast te stellen waar de uitersten liggen. De ijspatrouille bepaalt dagelijks de zogeheten limits of all known ice (LAKI), de grens van al het bekende ijs. Die wordt vastgesteld op basis van observaties van ijsbergen, in combinatie met computermodellen van stromingen en watertemperaturen die voorspellen waar ze naartoe drijven en hoelang het duurt voordat ze smelten. Om het grensgebied te vinden, zigzaggen de ijsbergjagers over een stuk van de oceaan in stroken van enkele honderden kilometers. „Je kunt het vergelijken met het maaien van een gazon”, zegt Brittle.

Schepen wordt aangeraden om zo mogelijk om de grens van al het bekende ijs heen te varen. „Onze belofte is dat ze buiten de LAKI geen ijsberg zullen tegenkomen”, zegt Rogerson. „Binnen de LAKI kunnen we die garantie niet geven.” Botsingen met ijsbergen zijn mede door de ijsbergbulletins tegenwoordig zeldzaam, maar komen nog wel voor. In 2004 raakte een vissersschip beschadigd na een aanvaring binnen de LAKI. Buiten de LAKI is na de Titanic nooit een ongeluk gebeurd, zegt Rogerson.

Terug in St. John’s worden de bevindingen doorgegeven aan het hoofdkwartier in Connecticut en aan de Canadian Ice Service in Ottawa, die zowel zee-ijs als ijsbergen in de gaten houdt. Morgen gaat de patrouille een ander gebied verkennen, want per dag wordt maar een klein deel van de oceaan gedekt – het spreekwoordelijke topje van de ijsberg. Rogerson: „Net als een wijkagent komen we regelmatig langs om een oogje in het zeil te houden.”

    • Frank Kuin