Kind wordt te weinig met rust gelaten

Door alle opvoedkundige adviezen ontwikkelen ouders vooral een schuldgevoel, terwijl door de kennis de onzekerheid alleen maar toeneemt, meent Gerrit Breeuwsma.

‘Het kind niet met rust laten is de grootste misdaad der tegenwoordige opvoeding”, schreef de Zweedse pedagoge en activiste Ellen Key in haar beroemde boek De eeuw van het kind uit 1900. Zij schetste daarin een tijdsbeeld waarin het kind „als een bal tussen de handen der volwassenen heen en weer wordt geworpen”. Als een volwassene slechts één dag zou worden behandeld zoals we kinderen jarenlang behandelen, zou hij ‘krankzinnig’ worden, meent ze. Key vestigde haar hoop op de nog jonge wetenschap van de ontwikkelingspsychologie en pedagogiek, die zouden kunnen voorzien in betrouwbare kennis over de kinderlijke ontwikkeling.

Key bewees daarmee onbedoeld dat het stellen van een diagnose gemakkelijker is dan het bedenken van een remedie. Hoewel ontwikkelingspsychologie en pedagogiek zeker een bijdrage hebben geleverd aan de kennis over het kind, heeft dat bepaald niet als effect gehad dat het kind daardoor meer met rust is gelaten.

Integendeel. Veel ouders worden door ontwikkelingspsychologen en pedagogen aangemoedigd serieus na te denken over het speelgoed dat ze hun kroost geven, de activiteiten die ze aanbieden, de vriendjes die ze hebben, en de crèche of school waar ze naartoe moeten. Voorzover ze daarbij het gevoel krijgen tekort te schieten, rest de ouders niet veel anders dan de ontwikkeling van hun kinderen te volgen met een chronisch schuldgevoel: ‘Heb ik mijn kind wel alles gegeven wat het nodig heeft?’

Alsof dat niet genoeg is, buitelen politici over elkaar heen met voorstellen om slechte ouders een opvoedverbod te geven of, zoals minister Rouvoet in 2007 voorstelde, verplichte risicoanalyses voor ieder kind te maken. Anderen menen dat aanstaande ouders een opvoedcursus moeten volgen, met als argument dat iedereen ook een rijbewijs moet halen voor hij zich in het verkeer mag begeven.

Het is kennelijk de keerzijde van alle ontwikkelingspsychologische kennis. Hoe meer we weten, des te onzekerder we worden. Zelfs achter ogenschijnlijk eenvoudig gedrag als huilen gaat een wereld aan betekenissen schuil. Hoe ouders met hun huilende baby moeten omgaan, is keer op keer een onderwerp voor meningsverschillen gebleken.

Opvoedhandboeken versterken die onzekerheid. Niet in de laatste plaats omdat ze elkaar tegenspreken. Kennis over gedrag laat zich nu eenmaal moeilijk vertalen in eenduidige richtlijnen voor de opvoedingspraktijk. Elk kind is een potentieel probleemgeval, met als kwalijk effect dat de relatie tussen ouders en kinderen erdoor wordt gefrustreerd.

Met het banger worden van ouders is ook de bewegingsvrijheid van kinderen sterk afgenomen. Kinderen van nu zijn wereldwijs, ze praten mee over van alles en nog wat. Maar hun feitelijke bewegingsvrijheid is afgenomen. Uit een Britse enquête uit 1998 bleek dat de afstand die spelende kinderen van huis mochten, was ingekrompen tot eennegende vergeleken met dertig jaar geleden. Mocht een kind toen op woensdagmiddag nog met zijn step alleen naar het plantsoen zonder dat zijn ouders wisten waar hij uithing, vandaag de dag moet hij nauwkeurig zijn coördinaten doorgeven. Je kunt kinderen zelfs uitrusten met een gps-systeem, zodat je ze altijd kunt volgen.

Niet alleen de fysieke, ook de mentale bewegingsvrijheid van kinderen is afgenomen. Ouders willen van school niet alleen de cijfers voor rekenen en taal weten, maar eveneens hoe hun kind sociaal-emotioneel in elkaar steekt. Alle aspecten van het kinderlijk gedrag worden zo op de spits gedreven. Soms resulteert dat in bijna lachwekkende voorstellen, zoals een paar jaar geleden van premier Balkenende, toen hij voorstelde om vanaf drie jaar een speelplicht in te voeren.

Bij dit alles ontstaat de illusie dat je het gedrag van kinderen kunt controleren, dat kinderen maakbaar zijn. Het gemak waarmee wordt gezegd dat we het optimale uit een kind moeten halen, suggereert dat van ieder kind het potentieel vastligt. Maar dat is een misvatting: het potentieel van het kind ontstaat in de ontwikkeling zelf.

Wat de gevolgen zijn van al die goedbedoelde bemoeizucht laat zich niet zo gemakkelijk vaststellen, maar wie zich een voorstelling maakt van wat het betekent als hij zelf voortdurend in de gaten wordt gehouden, krijgt waarschijnlijk een aardige indruk. Op zijn best werkt het het kind op de zenuwen, maar op zijn slechtst betekent het een knauw voor zijn zelfvertrouwen. Bovendien creëer je kinderen die in hun gedrag in eerste instantie tegemoetkomen aan de wensen van volwassenen – om er later misschien des te sterker afstand van te nemen.

Het nauwlettend in de gaten houden van kinderen door ouders, onderwijzers en psychologen speelt ook een rol in de grote toename van kindgerelateerde problemen. We zijn snel bereid kinderen van een etiket te voorzien. Een druk kind bestempelen we als hyperactief, een gevoelig kind als hoogsensitief. Het lijkt alsof daarmee het probleem in kaart is gebracht, maar in feite zeggen we dat we niet goed weten hoe met het kind om te gaan.

„Als jongen van tegen de twaalf”, zo begint Theo Thijssen een van zijn autobiografische verhalen, „ben ik op een vrije woensdagmiddag van Amsterdam naar Halfweg en terug gelopen, levend op water en brood”. Waarom wist hij zelf niet, maar het moest. De moderne lezer is geneigd het gevaarlijk te vinden, zo’n kind alleen op pad, zonder mobieltje en verantwoorde tussendoortjes. Thijssens moeder vroeg nog wel waar zoonlief naartoe wilde, maar hij maakte zich er vanaf met een vaag antwoord („’k wou maar eens een stevig eind lopen”). Gelukkig, schrijft Thijssen, had ik „een lichtzinnige moeder, die nooit het naadje van de kous hoefde te weten wanneer iets gewichtig voor me bleek”. Het is te hopen dat ze er nog zijn, lichtzinnige moeders, en anders zou iemand daar maar eens voor moeten pleiten.

Gerrit Breeuwsma is als ontwikkelingspsycholoog verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Onlangs verscheen van hem Het vreemde kind. De kindertijd als sleutel tot onszelf.