Gemiste kansen

Emeritus-hoogleraar Jan Pen schijnt nogal ontsteld gereageerd te hebben op het feit dat hij nog in leven blijkt te zijn. „Het is een ellendige verwarring”, heeft hij tegen journalisten gezegd over het te vroeg gepubliceerde overlijdensbericht in de Volkskrant ten gevolge van een persoonsverwisseling.

Persoonlijk zou ik elke keer een gat in de lucht springen als een journalist mij belde met de vraag: „Klopt het dat u niet dood bent, professor?”

Ik zou zo cryptisch mogelijk antwoorden; „Geen commentaar, het wordt nog onderzocht.” Daarna zou ik een persconferentie laten geven met Jomanda als mijn woordvoerster, terwijl ik zelf achter een gesloten deur toeluisterde hoe zij de klopsignalen vertaalde die ik haar van gene zijde doorgaf.

Ik wil maar zeggen: zo’n blunder van de Volkskrant is toch voor elke sterveling een buitenkans die hij maar één keer in zijn leven krijgt? Pen is zich dat door de schrik kennelijk onvoldoende bewust geweest. Hoe interessant had deze ervaring niet kunnen uitpakken als hij de vergissing nog een weekje had laten voortduren?

Dan zouden ook de andere kranten en media de fout hebben overgenomen en was zijn dood een eigen leven gaan leiden, als ik het zo paradoxaal mag uitdrukken.

Pen had vervolgens naar hartelust gebruik kunnen maken van de bloeiende rouwcultuur die in Nederland rond bekende Nederlanders is ontstaan. Vroeger kreeg zo’n dode enkele minuten in het Journaal en 900 woorden in de krant, en daar moest hij het mee doen. De laatste jaren worden er halve kranten en hele talkshows aan gewijd, spreekt de premier persoonlijk enkele betraande woordjes en krijgt de gestorvene op z’n minst een foeilelijk, ‘gelijkend’ standbeeld.

Dit alles had Pen met volle tegenwoordigheid van geest kunnen meemaken. Als hij maar wat meer geduld had gehad. Wat heeft hij nog meer gemist? Te veel om op te noemen.

Daar zijn de stoeten van vrienden die je lot komen bewenen alsof ze afscheid van hun vader moeten nemen. Had je destijds maar geweten dat je zoveel vrienden had! Wie zitten er allemaal wel niet bij?

Bruinsma – die lul van wie je nooit meer iets had gehoord nadat je hem 1000 euro geleend had. Vermeer – die geile aap die het nog eens met je vrouw heeft proberen aan te leggen. Pieters – die jaloerse nitwit onder je collega’s die achter je rug informeerde of hij jouw positie niet kon overnemen.

Hoe diep bedroefd zijn zij allen! Zouden ze misschien ook omfloerst spreken bij je graf? Of zouden ze dat toch maar aan je vrouw en je kinderen overlaten?

Je vrouw…tja, hoe zou zij het allemaal oplossen? Zou ze in de advertentie zetten: „Ik hield van hem” of, iets realistischer: „Ik heb zo lang mogelijk van hem gehouden”? En je kinderen? Hoe zouden zij het feit omzwachtelen dat je nooit thuis was? Ach, ze konden volstaan met het zinnetje: „Nu is hij voorgoed heengegaan.”

Pen moet trouwens nóg iets missen. Wanneer hij te zijner tijd echt sterft, kan hij niet horen hoe een journalist van de Volkskrant bevend naar zijn huis belt. Ditmaal móét er gecheckt worden. De journalist hoort de nog niet verwijderde stem van Pen op de voicemail en roept in paniek: „Neemt u mij niet kwalijk!”