Wij doen ons best en dat valt gerust niet mee

Wat kunnen jongeren leren van oudere mensen?

Wil (84) en Rutger (85) van Bienen zijn 58 jaar getrouwd en nog steeds is elke dag samen een feestje.

Foto Bob van der Vlist De tafel dekken met een vaas bloemen erbij. gedekte eettafel in huiskamer. Vlist, Bob van der

Hij: „Ik heb één keer met een theepot gesmeten, toen we pas getrouwd waren. Waarom weet ik niet meer, maar ik dacht: verrek, het zal nooit meer gebeuren.”

Zij: „Als je wat hebt, ga dan zitten en praat het uit. Niet met deuren smijten of kwaad weglopen, daar bereik je niks mee.”

Hij: „Wij hebben een moordhuwelijk. We zijn het altijd met elkaar eens.”

Hij staat op en zet een dvd op. Op het scherm een aflevering van de AT5 tv-serie Op Mijn Stoep, waarin ze door een Marokkaans meisje mee op stap worden genomen in Amsterdam. De openingstune. Hij maakt op zijn sokken een dansje in de huiskamer.

Er komen oude foto’s van hen langs op de film.

Hij: „Kijk, ik was een knappe stuiter.”

Zij: „Hij was vroeger zo’n lekkere bink, ik ben altijd verliefd gebleven.”

Hij: „Kijk, dat is dansclub Extase op het Leidseplein.

Zij: „Ze hadden er een pimpeluurtje.” 

Hij: „Daar heb ik haar voor het eerst gekust.”

Nu, 64 jaar later, kust hij haar nog steeds.

Hij: „Een relatie is discipline. Je moet eraan werken. En dat valt gerust niet mee. Maar je blijft bij elkaar uit eerbied. Dan komt de liefde vanzelf.”

Zij: „Elke dag is een feestje.”

En: „Bij mij werd een borst geamputeerd. Er zat een tumor in. In het ziekenhuis lag ik tussen vrouwen die hetzelfde hadden. Van sommigen kwam de man niet meer terug. Die vonden dat niks, zonder borst.”

Hij: „Dan ben je een laffe vent en heb je nooit van elkaar gehouden.”

Zij: „Hij stuurde zo’n lieve brief, die heb ik nog aan de dokter voorgelezen.”

Hij: „Als ze ’t moeilijk had, pakte ik het autootje en gingen we naar het strand, hupsakee.”

Zij: „Toen hij ziek werd, heb ik onze snacktent vier maanden waargenomen. Ik deed alles alleen. De leveranciers zeiden: ik wou dat ik zo’n vrouw had.”

Hij: „Het is ongelofelijk hoe goed ze het deed. Kroketten maken, broodjes smeren. Ik ben zo trots op haar, dan kun je toch nooit kwaad op elkaar worden? Ze was het werk niet gewend, maar toch heeft ze me altijd geholpen. Dat is belangrijk, dat je op elkaar kunt rekenen.”

Zij: „Mijn man heeft een zwak hart en zwakke longen. Eén keer was hij zo ziek, dat hij niet eens vervoerd kon worden. Lepeltje voor lepeltje heb ik hem moeten voeren. Ik heb hem altijd met liefde kunnen verzorgen.”

Hij: „Toen zíj ziek werd, dacht ik: zij heeft mij altijd in de zaak geholpen, nou is het mijn beurt om haar te helpen.”

Zij: „Weet je wat het is, wij kunnen goed samenwerken.”

Hij: „Je moet niet wisselen van partner als één karaktertrek niet deugt”

Neem de breuk tussen Jan Smit en Yolanthe, het gesprek van de dag in zorgcentrum De Drie Hoven in Slotervaart. Dat meisje past niet bij hem, vinden ze. Ze is veel te werelds. Veel te gauw over te halen.

Hij: „Ze hebben geen eerbied voor elkaar. De jeugd gaat veel te vroeg met elkaar naar bed. Hoe kun je elkaar nu respecteren als je weet dat je partner al tien anderen heeft gehad?”

Zij: „Seks, daar wisten wij nog niks van. Toen ik vlak voor mijn trouwen aan mijn moeder vroeg hoe dat nu eigenlijk moest, zei ze: ik ben er achter gekomen, jij komt er ook wel achter. Toen hebben we samen een heel mooi boek gekocht: Het Seksuele Leven van de Mens.”

Hij: „Seks voor het huwelijk hadden we niet.”

Zij: „De eerste dag op huwelijksreis was ik misselijk. Toen heb ik opgezocht of ik in verwachting kon zijn. Maar dat kon niet.”

Hij: „Ze had gewoon te sterke koffie op.”

Of ze nu nog seks hebben.

Zij: „Wat leuk dat je dat vraagt.” Het gaat niet meer, medisch gezien.

Zij: „Maar als je van elkaar houdt, is knuffelen genoeg.”

Elke ochtend pakt zij hem beet, geeft ze een kus en zegt ze: „Goedemorgen”. En: „We hebben weer een fijne dag vandaag.”

Ze komen het omgekeerde vaak tegen in het tehuis. Echtelijke ruzies in de lift, verwaarlozing van de ander of verwijten tijdens de sjoelbakavond.

Hij: „Vaak gaat de een harder achteruit dan de ander. Daar kunnen sommigen niet tegen. De eerste dag dat we hier waren kwam er iemand naar ons toe die zei: met die en die op de gang moet je je niet bemoeien. Toen ben ik heel kwaad geworden. Wij gaan met iedereen om.”

Zij: „De buren verderop, die maakten altijd ruzie. Zij gaf hem geen eten. We hebben ze hierheen gehaald en gezegd: waar zijn jullie nou helemaal mee bezig?”

Hij: „Dan denken we: wat een vreemde mensen.”

Zij: „Wij hoeven elkaar niks te verwijten. Als ik mijn ogen sluit, dan weet ik dat ik een heel mooi leven heb gehad.”

Ze weet niet wat ze erger vindt: dat hij eerder gaat of zij. Ze wrijft over haar buik. „Praat er maar niet over.”

Hij kijkt naar haar, zij knijpt hem in zijn bovenbeen. „Daar zitten we dan weer, pap.”

En dan: „We zijn twee gekke oudjes.”