Volgens Bos loopt kleinere bank minder risico

Minister Bos (Financiën) wil dat Nederlandse banken klein, veilig en nationaal worden. Maar daarvan wordt het systeem niet vanzelf stabieler.

Stap voor stap worden de contouren van een nieuw financiële sector zichtbaar. Gisteren gaf minister van Financiën Wouter Bos in het televisieprogramma Buitenhof opnieuw enkele vingerwijzingen in welke richting het Nederlandse financiële stelsel zich wat hem betreft dient te begeven. Kernwoorden waren klein, veilig en nationaal.

Sinds het uitbreken van de kredietcrisis, in augustus 2007, is mondiaal de kwetsbaarheid van de financiële sector haarscherp aan het licht gekomen. Banken namen – bewust en onbewust – te grote risico’s, belegden excessief met geleend geld en hielden te weinig kapitaal aan om bij tegenvallers de klappen zelf op te kunnen vangen. Gevolg is dat overheden zich wereldwijd voor miljarden euro’s in de schulden hebben gestoken om de banken overeind te houden.

Bos zei gisteren dat hij een duidelijke voorkeur heeft voor een kleinere financiële sector in Nederland. Banken zouden zich moeten specialiseren op nichemarkten. „ABN Amro zei vorige week dat ze goed zijn in alles wat met transport te maken heeft. Laat ze daar dan groot in worden. Rabobank heeft een traditie op het gebied van de landbouw. Laat hen daar dan groot in worden. Maar niet meer overal en groot in alles.”

Volgens hem brengt een kleinere bank per definitie ook kleinere risico’s met zich mee voor overheden die die banken moeten redden als het mis gaat. „Dat heb ik nu een keer meegemaakt, en het was nodig dat de overheden insprongen, maar dat wil ik niet nog een keer meemaken”, zei Bos.

Bos noemde het daarom ook goed dat ING bezig is de balans te verkleinen. De bank-verzekeraar, die met 1.300 miljard euro aan uitstaande middelen de grootste financiële instelling in Nederland is, is daar inderdaad mee bezig. Maar het is onwaarschijnlijk dat ING terug zal gaan naar de omvang van een bankje van, zeg, 100 miljard euro. De balans van ING zal kortom altijd groter blijven dan het Nederlands BBP.

Kleiner is dan ook niet de echte oplossing, zegt hoogleraar bankieren en financieren Harald Benink van het European Banking Center in Tilburg. „Kleiner is op zich goed, omdat het de risico’s van de staat beperkt. Maar zo lang de staat nog blijft dienen als vangnet van banken die fouten maken, blijft het systeem in de kern een fout bevatten.”

Volgens Benink is het daarom beter de financiële verantwoordelijkheid voor het falen van banken bij de markt te leggen in plaats van bij de overheid. „Banken die zich netjes aan de door de overheid gestelde eisen houden, komen in aanmerking voor een redding als het mis gaat. Voor hen geldt het depositogarantiestelsel, zodat hun klanten hun spaargeld terugzien mocht er iets mis gaan. Die banken halen spaargeld op, zetten het uit in de vorm van hypotheken of leningen aan bedrijven en doen verder geen ingewikkelde dingen op de internationale kapitaalmarkten.” Dergelijke banken zijn betrekkelijk veilig, waardoor het risico dat de belastingbetaler ooit in zal moeten springen ook betrekkelijk klein is.

Voor banken die zich wel in de complexe wereld van de derivaten en internationale constructies willen begeven, zou die overheidsgarantie moeten vervallen, meent Benink. Nu, zo blijkt wederom tijdens de crisis, is er een impliciet vangnet voor banken die grote risico’s nemen. Daardoor nemen banken een groter risico dan ze op basis van hun eigen kapitaalbuffers zouden doen. Dat effect heet moral hazard. In plaats van de overheid als vangnet, zou de markt weer meer als tuchtmeester van de banken moeten functioneren.

Benink: „Als marktpartijen die aandeelhouder of obligatiehouder zijn van financiële instellingen hogere kapitaalbuffers gaan afdwingen bij banken die grotere risico’s nemen, hoeft de overheid niet meer in te springen als het mis gaat. Maar dat gaat pas werken als de overheid aangeeft niet meer bereid te zijn die risico’s te dragen.”

In dat verband is Bos’ opmerking over de rol van pensioenfondsen in de financiële sector interessant. Hij stelde voor om deze institutionele beleggers een grotere rol als aandeelhouder in de banken te aten spelen. Op die manier zouden Nederlandse banken wat meer verankerd kunnen worden in de Nederlandse samenleving. Pensioenfondsen staan bekend als rustige langetermijnbeleggers die, minder dan de Angelsaksische aandeelhouders, uit zijn op puur vergroting van aandeelhouderswaarde. Zij zouden bij uitstek kunnen dienen als waarborgers van het bancaire systeem.

Een woordvoerder van ambtenaren- en lerarenpensioenfonds ABP, het grootste pensioenfonds van Nederland, reageert echter terughoudend op het voorstel van Bos. „Het is belangrijk dat de staat echt duidelijk maakt wat er met de financiële sector gaat gebeuren. Wordt het weer een echte vrije markt met een grote rol voor internationale aandeelhouders, of blijft de staat ook op de lange termijn een rol spelen?”, aldus de woordvoerder. „Wij beleggen uiteindelijk ook om rendement te halen, zodat we de pensioenen kunnen betalen. Daarvoor willen we weten hoeveel groei de financiële sector uiteindelijk mag maken.”

Bos’ opmerkingen in Buitenhof mogen dan weer meer zicht bieden op hoe hij vindt dat de sector eruit moet komen te zien, het is voor het ABP nog niet concreet genoeg. Bos zelf zei dat dat mede komt omdat een groot deel van zijn plannen afhankelijk zijn van Europese bereidheid om samen tot oplossingen te komen. En zover is het nog lang niet. Maar zoals Bos zelf laatst zei: de tijd dringt.