Soms mag je opscheppen

Je denkt wel eens dat wij zo nuffig doen over eten, ‘wij’ in de zin van: wij mensen van helemaal vandaag de dag die ‘bewust’ eten, maar er is altijd nuffig over gedaan natuurlijk. Ik las, omdat ik aan het gulden midden dacht, nog eens wat in Horatius en genoot weer opnieuw van hoe hij de draak steekt met krankzinnige diners bij de rijke roomse elite. Zo’n gastheer als de rijke Nasidenius zou je zo vandaag de dag voor je zien. Een beetje gewichtig doend over al de belangrijke dingen die hij heeft gedaan ten behoeve van het eten en die we ook allemaal moeten horen: dat het everzwijn ‘bij koele zuidenwind’ gevangen is of dat de zeeaal die in volle lengte wordt opgediend, gevangen werd vóór ’t kuitschieten ‘daarna smaakt zij minder goed’.

Nu is dat waar, kuitzieke vis is mager en bovendien moeten wij die vandaag de dag met rust laten omdat we de vis anders uitroeien, een probleem dat ze in het oude Rome nog niet hadden. Zorgeloos eten moet dat geweest zijn zonder een enkele gedachte over bio-industrie of milieuvervuiling. Maar mét delicatessen als ‘groene waterkers’ en ‘merelborst’. „Heerlijk”, aldus de rapporteur, „indien de gastheer het waarom en hoe niet steeds had verteld.”

Aha. Daar hoor je het eens. Gasten willen helemaal niet weten dat je die aardbeien bij een groentenstal aan de zuidkant van de markt hebt gekocht bij volle zon en orgelspel. Ze willen gewoon taart.

Maar als je per ongeluk de hand hebt weten te leggen op echte bourbonvanillestokjes, verse, kleverige, heb je wel recht om daarover op te scheppen. Want die lijken in niets op die droge houtjes die zo terecht vanillestokjes heten. Die bourbonjongens zijn meer peulen. En het vanillezaad dat erin zit is overvloedig en heel geurig en in staat een gewoon zanddeeg in iets spectaculairs te veranderen en gewone mascarpone in een droom. En op die droom leg je dan die aardbeien van de zuidkant van de markt…

Meng boter, suiker, een snufje zout en citroenrasp tot een romig mengsel. Werk er snel, met behulp van twee messen of een deegsnijder, de bloem door. Voeg de eieren toe en het water en kneed het deeg vlug tot een samenhangende bal – niet lang kneden! Leg het ten minste een uur in de ijskast.

Vet een springvorm van 26 cm doorsnede in met boter of neutrale olie. Bestuif het aanrecht met bloem en rol het deeg uit tot een lap. Bekleed de vorm daarmee (geeft niets als de lap wat uit elkaar valt, dan druk je de stukjes gewoon tegen elkaar aan, dat komt later vanzelf goed.) Zet de vorm een uur in de vriezer, dat helpt tegen het bobbelen.

Bak de korst een kwartier in een op 180 graden voorverwarmde oven. Laat afkoelen op een rooster.

Snijd nu zo’n bourbonvanillestokje open en schraap het merg eruit. Duw de lege peul in een pot witte basterdsuiker – die smaakt al snel, na een weekje, krachtig naar vanille. Roer alle ingrediënten voor de vulling goed door elkaar en vul de taart daarmee. Leg de aardbeien op de room. Bestrooi met suiker die is fijngestampt met een paar blaadjes verse munt.

    • Marjoleine de Vos