Nederlands leren door vak Latijn

Het onderwijsniveau daalt de laatste jaren, zegt de minister. De examentijd is hét moment om de balans op te maken. Vandaag: het vak Latijn op het vwo.

Anna Koekkoek (rechts) deed in 1965 examen, toen het vak Latijn nog uit drie onderdelen bestond. Ze haalde negens en tienen. Jolanda de Wit slaagde met een negen voor haar examen in 1976. (Foto Willem Sluyterman van Loo)
Amsterdam, 20 mei 2009. Jolanda de WIT(links) en Anna KOEKKOEK. Foto: Willem Sluyterman van Loo
Sluyterman van Loo, Willem

Het examen Latijn (vwo) vanochtend was „zeer maakbaar”, vinden leraren Latijn Anna Koekkoek en Jolanda de Wit.

Jaarlijks behandelt het examen Latijn één vaste schrijver uit de oudheid. Dat is lang van tevoren vastgelegd. Deze keer is het Ovidius. Van hem kregen de leerlingen vandaag twee teksten uit de vastgestelde examenstof (pensum) en een ongelezen tekst.

Koekkoek: „Het aardige was dat het bij de beantwoording van de vragen om de tekst zelf ging. Het examen vroeg naar kennis van het Latijn en je moest de tekst hebben gelezen. Een aantal van de vragen hadden we al geoefend uit examenbundels.” De Wit vult aan: „Leuke, gevarieerde vragen, het examen zat goed in elkaar.

Een „leuke” vraag in het examen van vandaag betrof een tekst over een vertaling van Charivarius. Voor de zwakkere vertalers was de ongeziene tekst nog redelijk lastig, denkt Koekkoek.

Anna Koekkoek en Jolanda de Wit geven al jaren Latijn op het Vossius Gymnasium in Amsterdam. De Wit geeft Latijn sinds 1985, en werkt sinds 1997 op ‘het Vossius’. Koekkoek heeft zelfs sinds 1971 haar eigen lokaal. Dat mag tegenwoordig op zich al een unicum heten, maar haar oud-leerlingen weten dat juist de decoratie van dat lokaal de ruimte zo imposant maakt. Alle wanden zijn van vloer tot plafond beschilderd door Koekkoeks moeder, de Amsterdamse schilder Catharina Koekkoek. Een Siciliaans landschap, legt Koekkoek uit.

Op de achterste rij bezetten grote teddyberen de stoelen. Om het kunstwerk te beschermen, en en passant om de leerlingen naar voren te dirigeren. „Ik wil de kinderen graag dicht om me heen hebben als ik vertel.”

Latijn als vak heeft niet zozeer te lijden gehad onder de onderwijsvernieuwingen, zeggen de beide leraren. „Er is één verandering geweest”, zegt Jolanda de Wit. „Latijn en klassieke culturele vorming, het vak met de culturele achtergronden van Latijn, zijn enige jaren geleden losgekoppeld. Nu horen ze weer bij elkaar en bepalen ze samen vanaf volgend jaar het examencijfer.”

De Wit en Koekkoek vinden de samentrekking van taal en achtergronden een verworvenheid. De Wit: „Het gaat over toneel, retorica, beeldhouwkunst. Dat is zó belangrijk bij de klassieke talen.”

De grootste veranderingen in het vak vonden plaats bij invoering van de Mammoetwet (1968). Leerlingen kregen vóór 1968 veel meer uren Latijn. Koekkoek heeft nog lesgegeven voordat die onderwijswet in werking trad: „Dat was nog puur vertaalvaardigheid.”

Het examen van toen ging over drie ‘bekende’ schrijvers, van wie er één mondeling werd getoetst zonder woordenboek en één schriftelijk met woordenboek. Dat is nu wel anders. De derde schrijver werd ‘uitgeloot’.

Van zes uur per week is het aantal uren Latijn nu op drie gekomen. Dat is weinig. De Wit: „We redden het net met de examenstof. Vorige week waren we pas klaar.”

Met bijna 800 leerlingen groeit het Vossius bijna uit zijn voegen, zegt Koekkoek. „Het is een populaire school, een wittevluchtschool.” Ruim negentig leerlingen zijn eindexamenkandidaten Latijn, tegen de vijftig doen er examen Grieks. „Gelukkig hebben we ook een aantal dubbelpakketters”, zegt Koekkoek. Dat zijn de echte slimmeriken, die examen doen in beide klassieke talen. „Vaak zijn die dan ook nog goed in bètavakken.” Dit jaar zijn het iets meer jongens dan meisjes, meestal is het ongeveer gelijk.

Wat doen ze met Latijn als ze zijn uitgevlogen? De meesten gaan naar de universiteit, zegt De Wit. Daar merken oud-Vossianen dat ze „kritisch lezen” en „analytisch denken” hebben geleerd. Een enkeling gaat klassieke talen studeren, en komt „goed beslagen ten ijs”, durft Koekkoek te zeggen.

Een indirect gevolg van de lessen Latijn is dat de scholieren behoorlijk Nederlands leren. „Tegenwoordig spreken ze allemaal turbotaal. ‘Yo, heb je doekoe’. Bovendien hebben nog maar weinig kinderen op de basisschool ontleden gehad, ze komen binnen met een achterstand. Hier hameren we op grammatica. We beginnen in de eerste klas met het onderscheiden van hoofd- en bijzinnen.”

Leerlingen bloggen op nrc.nl/eindexamen