Naar de opkamer

Rita Verdonk hield zich kranig, maar diep van binnen moet er geween zijn geweest en geknars van tanden en andere tekenen van grote ontzetting.

De aankondiging op de website van haar Trots op Nederland had nog zo optimistisch geklonken. „Vrijdagavond 22 mei 2009, 20.00 – 22.00 uur. Locatie: het Bethaniënklooster, Barndsesteeg 6, Amsterdam. Informatieve en wervingsavond voor toekomstige gemeentelijke functies in kieskring Amsterdam. Het voltallige kieskringbestuur stelt zich voor op deze avond en roept mensen op actief mee te doen bij het verder uitbouwen van de organisatie in de gemeenten.”

Toen ik ’s avonds tegen achten het elegante, historische pand nabij de Wallen binnenging, tekende het debacle zich al af. Als je de getrouwen, secondanten en bodyguards van Verdonk niet meetelde, waren er amper tien mensen op de bijeenkomst afgekomen. In de grote zaal aan mijn rechterhand stonden stoelen voor honderden mensen klaar. Verdonks stafleden liepen er verloren rond, terwijl Verdonk in de hal de schaarse binnenkomers hoogstpersoonlijk met een warme handdruk verwelkomde. Wie dat overkwam, begon meteen argwanend om zich heen te kijken – was er soms iets loos?

„Het is ongelofelijk”, mompelden haar adjudanten, „dit kan zo niet, we moeten wat doen.”

Besloten werd de grote zaal te sluiten en het kleine gezelschap onder te brengen in een opkamertje aan de andere kant van de gang. En daar stonden we dan, die amper tien belangstellenden, wat mensen van de visuele media en Verdonks horigen.

Ze nam moedig het woord. Ze deed een beetje alsof het erbij hoorde, die nietige belangstelling. Je bent pas bezig met de oprichting van een politieke beweging, nietwaar, alles moet nog zijn vorm krijgen, je moet het nu nog hebben van de diehards, maar let maar op, dat komt allemaal goed, als de fundamenten er eenmaal zijn komt de rest vanzelf.

Dat ze nu alweer een vol jaar bezig was en dat ze in de peilingen op 26 Kamerzetels had gestaan en nu nog maar op een of twee, daar hoorde je haar niet over. Eén naam viel in het geheel niet: die van Geert Wilders, haar grote concurrent op rechts. In plaats daarvan hield ze een routineus praatje over wat er mis was met Nederland en wat Trots op Nederland daar allemaal aan kon doen.

Soms klonk ze als iemand die net door zijn baas ontslagen is en nu in het café staat op te snijden over zijn fiere rechtlijnigheid die hem de kop heeft gekost, „Ik zei nog tegen Bos…” „Tweederde van de ontwikkelingshulp kan worden stopgezet, ik heb dat altijd gezegd, nu begint Koenders het ook in te zien…”

Na een half uur was ze uitgepraat. De voorzitter van de kieskring riep iedereen op vooral zijn naam en antecedenten op de presentielijst achter te laten. Er was in Amsterdam nog veel werk aan de winkel. Negenhonderd Amsterdammers hadden zich ooit opgegeven, maar ze waren in geheimzinnige rook opgegaan. Aan de slag dus, riep Verdonk met haar professionele lach.

Wacht even, zei de voorzitter opeens tegen Verdonk, je krijgt nog iets van ons. Een bos bloemen. Maar waar was die bos? Jeetje, in die grote lege zaal. Een man ging erheen, maar kon niets vinden. Toen ging de voorzitter zelf maar kijken. Opgelucht kwam ze terug. Rita kon met een bloemetje naar huis.