Briefkaart vanaf een eiland

In de bovenstad van het eiland Naxos, hoog boven het toeristengedoe aan de kade waar de tentjes met octopus en ouzo om de aandacht van de niet bepaald in overvloed aanwezige reizigers vechten, is een museum. Het is geen heel bijzonder museum, maar het is gevestigd in een mooi oud huis en op het dak ligt in de zon, de wind, de regen, een vrijwel compleet mozaïek uit een Romeinse villa die hier ooit ergens gestaan heeft.

Verder toont het museumpje wat bric-à-brac uit de oudheid die her en der op het eiland gevonden is. Mooie bric-à-brac, dat wel. Bijvoorbeeld een paar vitrines met Cycladische beeldjes, platte witte vrouwen (er zijn amper mannenbeeldjes) met hun armen gevouwen onder hun ook al tamelijk platte borsten. Er zijn de bekende vazen, vooral uit de geometrische periode, wat verweerde beelden uit verschillende tijden, sieraden en stèles. Het is allemaal heel sympathiek en je kunt er makkelijk een paar uur rondkijken.

Dat deed ik dan ook en ik genoot van het licht, van de kleine Griekjes die onder het toeziend oog van hun juffen door de zalen renden en opgewonden op spullen wezen en van de ronde billen van de schrijdende kouroi op hun sokkels. In een vitrine lagen wat gouden sierraden en ander klein spul. Een stempeltje ook, piepklein, misschien één bij twee centimeter. Er was een afdruk van gemaakt in gips en je moest goed kijken voor je zag wat daarop zichtbaar was gemaakt. Een jongeman, met de typerende naar achteren bollende dijen en kuiten, gekleed in een klein rokje, die bij een altaartafel staat waarop wat kruiken, offergaven ongetwijfeld. Daarachter een heel dunne palm.

Ik keek ernaar, naar dit heel fijne, zeer minuscule tafereeltje, en het was of ik die jongen zag staan, verlicht door de zon op een hete middag ergens op dit eiland. Meer dan drieduizend jaar geleden.

Drieduizend jaar is geen tijd. Het is te veel. In je eigen leven is 25 jaar geleden al iets wat je wel zegt maar niet voelt, omdat het zo onbegrijpelijk is dat je 25 jaar geleden ook bestond, althans iemand die je ‘ik’ noemt en die je toen ook ‘ik’ noemde maar die toch onmogelijk ‘ik’ kan zijn.

Die jongen staat daar dus nú. Ik zie hem in zijn hete stilte, aandachtig bezig te doen wat hij moet doen.

Hij lijkt misschien wel op Petros, de jonge taxichauffeur die we tot de onze hebben gemaakt voor de duur van dit verblijf en die met vergelijkbare aandacht zijn auto bestuurt, remmend voor elke bobbel, anticiperend op elke stomme geit die zomaar de weg op kan springen.

Van Petros weten we ook niets, behalve dat hij met zijn vader samen een taxibedrijf heeft en niet veel naar school is gegaan. Dat zegt hij zelf. Hij heeft lichte ogen in een donker gezicht en draagt elke dag een fris bloesje. Hij heeft een vriendin die ziek is, vertelde hij gisteren. We kijken naar zijn leven, van buitenaf, als naar dat van de jongen op het stempeltje.

Op de rotsen, na en voor het zwemmen, lees ik de laatste Jens Christian Grøndahl, De tijd die nodig is. Ingrid, de hoofdpersoon, heeft een geheime minnaar, die getrouwd is, maar die ze toch beschouwt als haar man. Omdat hij de man voor haar is, om allerlei redenen, maar onder meer door de manier waarop hij naar haar kijkt. Hij luistert, bijvoorbeeld als ze iets zegt over haar leven met haar ongezeglijke zoon, en ze merkt dan dat hij haar leven ziet. Dat helpt haar om zelf ook naar haar leven te kijken op een beschouwende, heldere manier. „Zijn ervaren, onsentimentele blik werkt altijd rustgevend op haar, terwijl ze tegelijkertijd klaarwakker wordt. Alsof ze naar de werkelijkheid zelf kijkt. De uitdagingen, de onbeantwoorde vragen. Wat wil je? Hoe wil je je tijd en je mogelijkheden gebruiken?”

De passage trof me, omdat je vaak helemaal niet zo naar je eigen leven kijkt. Wel naar dat van een ander eventueel, maar je eigen leven is makkelijk meer iets waar je in verknoopt zit dan iets wat je van op afstand beschouwt.

Al gaan die vragen – hoe wil je je mogelijkheden gebruiken? – wel erg sterk uit van de gedachte dat je greep op het leven zou hebben.

Zou dat ook een zinvolle vraag zijn voor de jongen aan zijn altaartafel, voor Petros in zijn taxi? Ze doen wat ze doen omdat het leven hen hier gebracht heeft.

Dat lijkt meer op de wereldbeschouwing van Jorge Luis Borges, wiens gedichten ik ook lees op die rotsen. Hij herhaalt in allerlei varianten dat alles vastligt – „Ons leven is de aanstaande al afgelegde weg” – en alles is dus ook noodzakelijk. Alles wat bestaat en bestaan heeft „de koelte van het water in de keel van Adam […] Het gestage kompas. De open zee. […] Iedere wroeging en iedere traan”, onder meer, „aan al die dingen was niet te ontkomen/ wilden onze handen elkaar ontmoeten.”

Ik kijk over zee naar het eiland aan de overkant. Ik denk aan de onontkoombaarheid van de jongen in het museum, aan Petros, aan de minnaar, aan de vrouw die haar leven ziet. Het is „onze schone plicht” ons in te beelden dat er een ordening is, schrijft Borges, een ordening die eruitziet als het labyrint waarin Ariadne, op wier eiland ik me bevind, een draad achterliet. Soms vind je die draad even, al verlies je hem steeds weer.

Ik doe mijn schone plicht.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos

    • Marjoleine de Vos