'Ze doen net alsof er niets is gebeurd'

Jiang was een van de vele doden op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989. Zijn moeder wacht nog altijd op excuses.
juni 1989. Peking VR China,Tien an Men Plein . Demonstrerende studenten beschilderen spandoeken voor het mausoleum van Mao Zedong. foto VINCENT MENTZEL/NRCH MEER FOTO´S IN PAPIEREN ARCHIEF demonstraties studenten spandoeken

Ding Zilin (73) en haar man Jiang Peikun, oud-hoogleraren aan de Volksuniversiteit van Peking, wonen op de derde verdieping van een eenvoudige flat in de universiteitswijk Haidian. Het is een doordeweekse dag. Op de stoep spelen kinderen in de ochtendzon, oudjes zitten op bankjes en migrantenarbeiders vegen de straten schoon. „Komt u voor Ding Zilin? Graag identificeren”, zegt een bewaker in een glazen wachtershuisje. Ding, een vrouw met kortgeknipt grijs haar, een gezicht getekend door verdriet, doet de deur open.

Achter haar staat haar man, een kunsthistoricus van rond de zeventig. Hij begroet het bezoek maar trekt zich meteen terug in zijn werkkamer. „Praten over onze zoon is voor hem te pijnlijk”, verklaart Ding. In een hoek van de donkere kamer staat een langwerpige sokkel met daarop een bronzen borstbeeld van Jiang Jielian, hun 17-jarige zoon. Jiang kwam om toen het leger op 4 juni 1989 in de straten rondom het Plein van de Hemelse Vrede het vuur opende op demonstrerende studenten.

Aan de muur hangen oorkondes van mensenrechtenorganisaties, een schilderij en een foto van Jiang met medestudenten: een atletische jongen gekleed in een rood trainingsjack en getooid met een witte haarband. „Hij zou dit jaar 37 jaar zijn geworden. Hij was intelligent, getalenteerd, integer, beleefd en sportief. ”

Ding is rusteloos. Ze blijft hooguit tien minuten achtereen op haar stoel zitten en staat steeds op om thee in te schenken. Of om in de keuken haar tranen te deppen. Ze vertelt over twintig jaar geleden, de tijd dat ze als hoogleraar filosofie les gaf aan de Volksuniversiteit in Peking.

„Mijn studenten waren gepassioneerde jongeren die de straat op gingen om hun zorg te uiten over de toekomst van ons land. Ze wilden actie voeren tegen sociale ongelijkheid en tegen corruptie. Ik had grote sympathie voor hen, maar ik was faliekant tegen hongerstakingen en gewaagde teksten op spandoeken. Ik had een slecht voorgevoel.”

Ding: „In de nacht van 3 juni verliet mijn zoon ons huis. Ik had nog gezegd: Je mag de straat niet op. Het is te gevaarlijk, je zit nog op de middelbare school, hoe zou jij nou invloed kunnen uitoefenen? Waarop hij heel ernstig antwoordde: Moeder het gaat niet om succes, maar om meedoen.”

Jiang werd als een van de eerste studenten neergeschoten in de wijk Muxidi, vlakbij het plein. „Die avond kwam hij niet thuis en we wisten niet waar we moesten zoeken. Een medestudent kwam samen met haar vader in paniek aan de deur. Ze had gehoord dat Jiang ernstig gewond was geraakt. Samen met familieleden en vrienden zochten we in meer dan twintig ziekenhuizen. We zagen duizenden gewonden en doden, het was een bloederige massa.” Uiteindelijk kreeg de familie een telefoontje van het kinderziekenhuis in Peking: Jiang was dood.

In de tijd na de dood van haar zoon slikte Ding medicijnen en deed ze zes zelfmoordpogingen. In 1989 kwam zij in contact met andere families die ook een kind hadden verloren. Al snel telde de groep 150 ouders . Aanvankelijk wilde ze met rust gelaten te worden om haar verdriet te verwerken. Maar dat veranderde toen de toenmalige premier Li Peng in maart 1991 zei dat de overheid geen aantallen en namen van de slachtoffers wilde geven „uit piëteit met de nabestaanden”. Li had het over een antirevolutionaire opstand en zou de ouders gezichtsverlies willen besparen.

Uit woede over Li Pengs geschiedvervalsing besloot ze het werk van haar zoon voort te zetten en gaf ze een interview aan de BBC. Vanaf dat moment werd haar telefoon afgeluisterd en mocht ze geen promovendi meer lesgeven. Haar naam en die van haar man mochten niet meer in de Chinese media worden afgedrukt. Begin jaren negentig publiceerde ze in Taiwan en Hongkong haar boek Op zoek naar de slachtoffers van 4 juni, met de verhalen van ouders van zestig gedode kinderen. Ding werd voor straf vervroegd met pensioen gestuurd, met een veel lagere uitkering dan normaal. Ook kreeg ze de eerste tijd huisarrest.

„In andere landen volgt meestal een openbaar onderzoek, alles wat er is gebeurd wordt openlijk in de samenleving besproken, de bevolking kan rouwen om de slachtoffers en meeleven met de nabestaanden, zo’n ramp krijgt aandacht en erkenning. De ramp van 4 juni is anders, er zijn veel doden gevallen, er is enorm veel leed aangericht onder de nabestaanden, maar in het openbare leven lijkt het alsof er niets is gebeurd.”

Ondanks intimidatie schrijven de moeders vanaf 1995 elk jaar een open brief aan de overheid. Daarin eisen ze onafhankelijk onderzoek naar ‘Tiananmen’, compensatie voor de nabestaanden en vervolging van de daders. Pas in 2007 kregen de ouders toestemming een stille tocht te houden.

Ook dit jaar zullen de moeders proberen bloemen te leggen achter het Plein van de Hemelse Vrede. Zij gaan ervan uit dat de autoriteiten pas met excuses zullen komen als de verantwoordelijke leiders zijn overleden. „Iedereen weet dat Deng Xiaoping, premier Li Peng, president Yang Shangkun en burgemeester Chen Xitong verantwoordelijk zijn voor het bloedbad. Nu is alleen premier Li Peng nog in leven. Als hij overlijdt voordat hij kan worden berecht, geldt voor hem hetzelfde als voor Deng en de anderen: het oordeel van de geschiedenis zal hij niet ontlopen. Daar blijf ik in geloven.”