Toezicht en regels maken geen einde aan het graaien

De roep om meer regulering klinkt hol zolang de mensen zichzelf niet in bedwang kunnen houden, vindt Amitai Etzioni.

Hoogleraar internationale betrekkingen aan de George Washington-universiteit. Auteur van onder meer ‘Security First’ (2007).

Het debat over de vraag hoe de wereld te bevrijden uit de economische crisis heeft zich grotendeels toegespitst op de rol van de staat, met name op regulering. Maar om te kunnen slagen dient regulering te berusten op een andere normatieve cultuur dan die welke op dit moment in veel kapitalistische landen, vooral in de Verenigde Staten, de overhand heeft. Die nieuwe – of hernieuwde – cultuur zou niet alleen gericht zijn op het stellen van grenzen aan wat bankiers, beheerders van hedgefondsen en effectenmakelaars mogen doen, maar zou ook, om te beginnen, de behoefte aan regulering zo klein mogelijk maken. Dit valt alleen te realiseren indien financiers, en ondernemers in het algemeen, inzien hoe goed het is om zelf grenzen te stellen aan hun winstbejag.

Belangrijker nog is dat de huidige crisis ons noopt meer fundamentele vraagstukken onder ogen te zien zoals: wat maakt een samenleving goed en een leven waardevol? Om een einde te maken aan de bezetenheid waarmee men steeds meer produceert en meer consumeert dan zijn naaste, is het niet voldoende om vast te stellen wat de mensen niet zouden moeten doen. We moeten ons ook de vraag stellen: voor welke doeleinden zullen wij ons in de toekomst inzetten? Als het niet voor de consumptiecultuur is, waar zullen wij dan voor werken en waar zullen wij onze vrije tijd dan aan besteden?

Dergelijke diepgaande culturele veranderingen zijn niet ongekend. Ingrijpende veranderingen in de definitie van ‘het goede leven’ en in het belang dat wordt gehecht aan economisch succes en opzichtig materieel vertoon, hebben zich al dikwijls voorgedaan. Voordat de geest van het kapitalisme over een groot deel van de wereld vaardig werd, werd noch arbeid noch handel bijzonder hoog aangeslagen – beide werden dikwijls overgelaten aan verachte minderheden als Armeniërs, aan wat de Afrikanen Turken noemden, en aan Joden. In aristocratische kringen in Europa en Japan was eeuwenlang het krijgsbedrijf een hogelijk bewonderde, ridderlijke activiteit. In China stonden in het tijdperk van de geletterden filosofie, dichtkunst en schilderen met het penseel in hoog aanzien. De religie was ooit de voornaamste bron van normatieve cultuur; later, na de Verlichting, gold in sommige delen van de wereld, waar men in duisternis wandelde, het secularisme als de normatieve grondslag. De laatste jaren is echter in veel delen van de wereld, waaronder China, Rusland en uiteraard een groot deel van de islamitische wereld, de invloed van religieuze waarden aanzienlijk toegenomen. Minder ingrijpende maar nog altijd majeure cultuuromslagen hebben zich ook voorgedaan. Hiertoe behoort het principe, dat voor de jaren 60 van de twintigste eeuw in de meeste samenlevingen niet bestond, dat wij fundamentele morele verplichtingen hebben tegenover het milieu. Een ander voorbeeld zijn de veranderingen in de maatschappelijke definitie van de betrekkingen tussen man en vrouw, en hun rol bij het grootbrengen van kinderen.

Culturele transformaties hebben zich dus in het verleden geregeld voorgedaan, al kan beslist niet gezegd worden dat de mensheid er in alle gevallen op vooruit is gegaan. Het zou goed kunnen dat ook nu weer een diepgaande verandering in onze normatieve cultuur ophanden is. Het is zelfs zo dat crises als de huidige dikwijls historische veranderingen hebben bespoedigd. Zoals de huidige stafchef van het Witte Huis en oud-managing director van de, inmiddels opgeheven, investeringsbank Wasserstein Perella, Rahm Emanuel zei: „Laat nooit een crisis onbenut voorbijgaan.” De huidige crisis noodt tot normatieve bezinning op wat een leven tot een goed leven maakt.

De consensus over de behoefte aan nieuwe, krachtiger en beter gehandhaafde regulering is niet goed gefundeerd; het schort aan een breder inzicht in hoe regulering werkt. Dagelijks vinden miljarden transacties plaats, waarvan vele grensoverschrijdend zijn en derhalve verre van transparant. Er kunnen dan ook nooit genoeg inspecteurs, accountants, douaniers en agenten zijn om te garanderen dat alle of zelfs maar de meeste transacties correct verlopen. Daar komt bij dat de mensen die met de handhaving van de regels belast zijn, zelf evenmin immuun zijn voor corruptie; ook zij moeten dus onder toezicht staan en weer aan anderen verantwoording afleggen – die ook weer op de een of andere manier moeten worden gereguleerd. Daarom werkt regulering alleen goed wanneer ze in hoofdzaak gericht is op uitschieters – op de paar mensen die trachten de regels te omzeilen –, terwijl de meeste mensen het grootste deel van de tijd doen wat vereist is, omdat ze vinden dat dat is wat ze behoren te doen.

Velen die zich niet in deze materie hebben verdiept, menen dat mensen zich hoofdzakelijk pro-sociaal gedragen uit angst voor bestraffing van anti-sociaal gedrag. Bij nadere beschouwing is die opvatting niet houdbaar. Veel vormen van pro-sociaal gedrag hebben met wetten feitelijk niets te maken; wij doen wat verwacht wordt en onthouden ons uit zorgzaamheid of liefde van wangedrag. Dit blijkt duidelijk uit de wijze waarop wij – afgezien van zeer bescheiden eisen die de wet stelt – onze kinderen verzorgen, omgaan met onze echtgenoot, vrijwilligerswerk doen en deelnemen aan het openbare leven. Bovendien is het zo dat op veel gebieden die wél door de wet bestreken worden, de kans om bij overtreding van de wet te worden betrapt zeer laag is, en de straffen veelal verrassend mild. Een voorbeeld: de kans dat iemand die belasting ontduikt tegen de lamp loopt, is in de Verenigde Staten ongeveer 1 op 100, en de meesten die betrapt worden hoeven alleen maar alsnog te betalen wat zij ‘over het hoofd hadden gezien’, plus een bescheiden rente. En toch betalen de meeste Amerikanen hun belasting.

Alan Lewis kwam in zijn klassieke werk The psychology of taxation tot de conclusie dat de voornaamste reden waarom mensen – en niet alleen in de VS – de verschuldigde belasting betalen, niet is omdat zij bang zijn voor de overheid, maar omdat ze vinden dat de lasten eerlijk verdeeld zijn en de belastingopbrengst legitiem wordt besteed. In een ander onderzoek heeft Paul Stern aangetoond dat de voornaamste reden waarom mensen milieuvoorschriften naleven is dat zij dit als een burgerplicht beschouwen. De Britse filosoof Bryan Barry heeft hetzelfde geconstateerd met betrekking tot stemgedrag.

Uit deze en tal van andere onderzoekingen blijkt dat in welgeordende samenlevingen de meeste mensen zich meestentijds pro-sociaal gedragen omdat zij hun verinnerlijkte gevoel voor goed en kwaad volgen, alsmede hun plicht- en verantwoordelijkheidsbesef. Het is derhalve van het grootste belang waaraan een cultuur waarde hecht, en wat de attitudes zijn ten aanzien van het economische gedrag dat men met regulering wil uitbannen. Regulering is nodig als secundair dwangmiddel waar de cultuur faalt – maar dé steunpilaar van goed gedrag kan ze niet zijn.

Illustratief voor de wijze waarop een nieuwe normatieve cultuur het kapitalisme aan banden kan leggen is een medische privékliniek die ik goed ken, Rockville Internal Medicine. Deze kliniek is ongeveer een halve eeuw geleden opgericht door iemand die het werk van de arts beschouwde als een nobel ambt, bedoeld om de mensheid te dienen. Hij stond liever in hoog aanzien bij de gemeenschap dan dat hij bakken geld verdiende. Naarmate de praktijk groeide, zocht hij partners die zijn visie deelden. Tot op heden trekken de artsen daar meer tijd uit voor ingewikkelde medische gevallen dan in veel andere groepspraktijken; ook zijn zij veel minder geneigd onderzoeken of behandelingen te laten verrichten die niet evident noodzakelijk zijn. Een en ander heeft tot gevolg dat de artsen daar zo’n 35 procent minder verdienen dan artsen in veel andere klinieken. Nieuwe artsen die overwegen toe te treden, worden gewaarschuwd dat als ze rijk willen worden, ze aan het verkeerde adres zijn. Artsen die toetreden maar die laten blijken dat zij de normatieve cultuur van deze groep niet aanvaarden, worden mild berispt en zo nodig met zachte hand verwijderd. De blijvers hebben het naar hun zin en zijn er trots op dat zij „de geneeskunde beoefenen zoals het behoort”. Regulerende instanties houden toezicht op de praktijk, maar vinden maar heel weinig dat niet in orde is, zodat ze zich kunnen concentreren op andere groepspraktijken, die minder zelfregulering tonen.

Je zou zeggen dat zo’n zelfregulerende cultuur alleen mogelijk is in kleine ondernemingen waar iedereen elkaar persoonlijk kent en waar men verbonden wordt door normen van collectiviteit, vriendschap en verregaande openlijkheid. Toch is het zo dat tijdens de grote misstanden die uitmondden in de crisis van 2008-2009 een groot aantal banken en verscheidene andere financiële instellingen in strijd met deze stelling weigerden daaraan mee te doen. Sterker nog, terwijl de krantenkoppen het alleen maar hebben over banken die dubieuze hypotheken verkochten aan miljoenen mensen die zich dat onmogelijk konden veroorloven, dikke vergoedingen opstreken en die hypotheken ombouwden om ze aan anderen te verkopen, maar er ook hun eigen portefeuilles mee spekten, wordt nauwelijks aandacht geschonken aan de vele banken die zich met zulke praktijken niet hebben ingelaten en die niet in moeilijkheden verkeren.

Toegegeven, veel daarvan zijn lokale banken, die meer in de gemeenschap geïntegreerd zijn dan nationale en internationale banken, maar er zijn er toch ook bij zoals U.S. Bancorp en de Canadese TD Bank. ‘Goede’ banken zijn ook in veel andere landen te vinden, niet alleen omdat die beter gereguleerd zijn, maar ook omdat ze een meer conservatieve financiële cultuur toegedaan zijn.

Dit alles illustreert dat normatieve cultuur niet een soort filosofische abstractie is, maar een concept dat diep geworteld is in het web van menselijke betrekkingen. Ofschoon het in veel gevallen geschraagd wordt door een kleine, lokale gemeenschap, kan het ook een heel land omvatten en soms zelfs landsgrenzen overschrijden. Die normatieve cultuur, die vroeger het kapitalisme in toom hield, is de laatste decennia in verscheidene delen van de wereld, vooral in de Verenigde Staten, aan slijtage onderhevig. Uiteraard is ze nooit universeel geweest, en haar rol was nogal beperkt in de beginperiode van het kapitalisme, het tijdperk van de Robber Barons (schurkachtige magnaten) in de Verenigde Staten, en vergelijkbare tijdperken in andere samenlevingen, zoals op dit moment waarneembaar is in voormalige communistische landen en in enkele landen die een snelle ontwikkeling doormaken. Wel is in het kielzog van [Theodore Roosevelts] Progressive Movement en van de diverse hervormingen die zijn geïntroduceerd onder [Franklin D. Roosevelts] New Deal en [Lyndon B. Johnsons] Great Society een zekere mate van zelfregulering, die indirect de bestaande regulering ondersteunde, in de normatieve cultuur geïntegreerd. Die zelfregulering is vervolgens grotendeels afgekalfd onder invloed van het reaganisme en het thatcherisme, die het ongeremde eigenbelang toejuichten en zowel overheidsregulering als de zelfregulerende cultuur die overheidsregulering minder noodzakelijk maakte, hebben aangetast. Het schandaal van de spaar- en leenbanken in de jaren 80 van de twintigste eeuw en het recente financiële debacle zijn slechts twee verschijningsvormen van die trend.

De regering-Obama en de regeringen van veel andere landen die zijn aangestoken door het tomeloze kapitalisme, staan nu voor de opgave een normatieve cultuur nieuw leven in te blazen die enerzijds de behoefte aan regulering vermindert en anderzijds krachtiger en beter te handhaven vormen van regulering invoert.

Het kapitalisme is vergelijkbaar met kernenergie: zolang het stevig in bedwang wordt gehouden door muren, opgetrokken uit een normatieve cultuur die zelfbeheersing en overheidsregulering begunstigt, kan het volop goede dingen voortbrengen zonder de omringende samenleving te ondermijnen. Maar als het kapitalisme uit zijn ommanteling breekt, kan het een ravage aanrichten. Zo’n uitbraak deed zich voor toen het kapitalisme in de Verenigde Staten in toenemende mate gedereguleerd werd. In andere landen gebeurde dat in mindere mate. Losgeslagen kapitalisme treffen we ook aan in onlangs ontsloten markten, waar het nooit echt aan banden heeft gelegen.

Deze uitbraken kwamen aan het licht doordat banken dubieuze hypotheken verstrekten aan mensen die zich dat niet konden veroorloven, met als gevolg dat zij weldra hun huis kwijtraakten; doordat ondernemingen gigantische bonussen – die ze financierden met reddingsoperaties op kosten van de belastingbetaler – toekenden aan falende managers; en door managers die de schatkist van een onderneming leeghaalden om zich nog meer te verrijken, een paar dagen voordat ze lieten weten dat hun bedrijf zijn verplichtingen aan anderen niet kon nakomen. Hiertoe behoren ook zakenlieden die medicijnen verkochten waarvan ze wisten dat ze niet alleen onwerkzaam waren, maar zelfs gevaarlijk, of pindakaas die volgens hun eigen tests salmonella bevatte, tandpasta met gifstoffen en babyvoeding met melamine, aannemers die politici steekpenningen toestopten om de voorschriften te versoepelen, en inspecteurs om de resterende voorschriften niet te handhaven.

Dit alles had zich al eerder voorgedaan, maar zowel de schaal waarop het losgeslagen gedrag zich voordeed, als het gebrek aan berouw lijkt in de recente geschiedenis zonder precedent. (Het is een tijd geleden dat The Wall Street Journal in een hoofdartikel verklaarde ‘greed is good’ (‘hebzucht is goed’). In reactie op die excessen roepen velen nu om her-regulering, waarbij de meesten zich niet realiseren dat deze op haar beurt veranderingen in de normatieve cultuur vereist.

Ik stel vast dat er thans behoefte is aan diepgaande veranderingen in de normatieve cultuur, die betrekking hebben op het doel en niet alleen op de middelen: ingrijpende veranderingen in de doeleinden van arbeid en handel, en bovenal in het concept van wat een leven tot een goed leven maakt.

Zolang de consumptiecultuur – en de daarmee gepaard gaande hang naar overmatige arbeid – de overhand houdt, kunnen de krachten die erop uit zijn de normatieve en regulerende ommanteling van het kapitalisme open te scheuren, niet doeltreffend worden ingetoomd. De consumptiecultuur draagt ook in wezen een Sisyphus-karakter en is voor de mens bij lange na geen betrouwbare bron van voldoening en bloei.

Ik verwacht niet dat alle of zelfs maar de meeste mensen plotseling van de consumptiesamenleving zullen overstappen naar een bloeiende samenleving, of dat zij die overstappen dat voor de volle honderd procent zullen doen. Sommigen zullen met één voet in de oude samenleving blijven staan, terwijl ze met de andere de temperatuur van de nieuwe proberen – zoals je ook mensen hebt die een blazer combineren met een spijkerbroek. Anderen zullen misschien alleen het materialistisch vertoon minderen, zonder schuldgevoel en zonder vrees voor wat de mensen zullen zeggen. Samenlevingen verleggen net als oceaanstomers maar heel traag en geleidelijk hun koers.

‘Al’ wat nu nodig is, is dat meer en meer mensen de huidige economische crisis aangrijpen om zich te bevrijden van de obsessie met consumptiegoederen en de daartoe vereiste overmatige arbeid, en de voldoening vinden die transcendentale en communitaire projecten schenken aan hen die manieren vinden om te participeren in die vormen van het goede leven.

    • Amitai Etzioni