Recessie kan nieuwe fase in industrialisering zijn

De Nederlandse industrie heeft het zwaar. In maart daalde de omzet met maar liefst eenvijfde op jaarbasis, na dalingen met een kwart in de eerste twee maanden van 2009. Dat lag voor een deel aan de lagere prijzen, een gevolg van de ingezakte wereldwijde vraag naar industriële producten. Maar ook het productievolume zelf loopt sterk terug.

Daarmee krijgt de industrie een forse klap van de economische recessie. Dat is geen nieuw verschijnsel. In de laagconjunctuur van de jaren zeventig, tachtig en negentig werd telkens ook een sector goeddeels weggevaagd, om niet of slechts gedeeltelijk te overleven. Het jongste trauma is nog altijd Fokker, waarvan de deconfiture de vliegtuigbouw in Nederland een zware slag toebracht. De textiel en de mijnbouw waren eerdere slachtoffers, net als de landbouw. De dienstverlening profiteerde.

Toch is dat niet het hele verhaal. Industriële bedrijven hebben sommige activiteiten afgesplitst waardoor deze nu als dienstverlening zichtbaar worden. Philips had vroeger een eigen reisbureau, dat bij de industrie werd geteld. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor personeelsbeheer, ingenieursdiensten, ict en transport die zijn afgesplitst. Een deel van de krimp van de industrie is dus schijn.

Maar de teloorgang van delen van de daadwerkelijke industrie is deels ook ‘creatieve destructie’. De minder rendabele activiteiten verdwijnen naar opkomende industrielanden, om plaats te maken voor nieuwe, hoogwaardiger activiteiten. De storm van de recessie velt de oude bomen. Jong groen krijgt dan de ruimte.

Het heeft weinig zin om activiteiten die niet langer renderen koste wat het kost en veel te lang door te zetten. Wie wil weten wat daar de gevolgen van zouden zijn, kan een kijkje nemen in voormalige industriesteden als het Waalse Charleroi. Het is beter om tijdig de bakens te verzetten. De toekomst van Nederland ligt in de dienstverlening, maar zeker ook bij hoogwaardige industrie en bij de organisatie van wereldwijde productieketens.

De vliegtuigbouw is met Fokker zeker niet verdwenen. De automobielindustrie floreert niet alleen in Duitsland, maar heeft zich ook in ons land voor een deel weten te handhaven. Hoogwaardige staalproducten kunnen in een volwassen economie rendabel worden gemaakt. Chemie en farmacie blijven belangrijke pijlers. Om maar te zwijgen van de kleinere, zeer innovatieve bedrijven die misschien geen producten maken die tot de verbeelding spreken, maar wel zorgen voor toegevoegde waarde en werkgelegenheid.

Tijdens elke recessie wordt een lans gebroken voor de industrie, en vaak gebeurt dat onder de noemer van de innovatie. Maar het is de vraag of de sector met sturend beleid erg wordt geholpen. Het scheppen van goede generieke randvoorwaarden in infrastructuur, onderwijs en (fiscale) regelgeving werkt in de regel beter dan grote alomvattende plannen met vooraf bepaalde speerpunten.

Topman Peter Löscher van het Siemens-concern voorspelde deze week dat Duitsland eerder verder zal industrialiseren dan dat het productie zal verliezen als gevolg van de recessie. Dat Duitse zelfvertrouwen is aanstekelijk, ook voor Nederland. Als de bodem goed is, zullen nieuwe bloemen de kop opsteken. Maar ze bepalen zelf waar en wanneer.