Overheden trekken zich terug uit energiesector

Volgende week besluit minister Van der Hoeven over het splitsingsplan van Essent. Nationale belangen spelen geen rol. Andere Europese landen zien dat anders.

De toekomst van de Europese energievoorziening is aan buitenlandse staatsbedrijven. Zij domineren nu al, blijkt uit de afgelopen week gepubliceerde bundel Strategisch Europa van het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Maar de staatsleveranciers zullen alleen maar dominanter worden.

Europa zal dat merken, bijvoorbeeld doordat de staatsbedrijven te weinig investeren. Dat maakt het risico van hogere prijzen en interrupties van leveringen groter.

Moeten Europese staten hun belangen bundelen om straks sterker staan in onderhandelingen met de overheden die aandeelhouder zijn in gas- en olieleveranciers?

Een land als Frankrijk doet dat. Daar treedt de staat op als een actieve aandeelhouder die grote energiebedrijven helpt formeren door ze aan te zetten tot overnames of fusies. Nederland doet het tegenovergestelde. Hier trekt de overheid zich liever terug.

Nederland dacht in Europa het voortouw te nemen met de splitsing van zijn grote energiebedrijven, zoals Nuon en Essent. Netwerken voor gas en elektriciteit – zeg maar: de infrastructuur – moeten publiek eigendom blijven. Commerciële activiteiten mogen worden verkocht of samengevoegd met andere bedrijven, mits die ook gesplitst zijn. Dat gebeurt nu: Nuon komt in etappes in handen van het Zweedse staatsbedrijf Vattenfall, Essent gaat naar het Duitse RWE.

De aandeelhouders die daarover in Nederland beslissen zijn door een historisch toeval lokale en provinciale politici. In buurlanden is energie ook een zaak van nationale politiek. De rijksoverheid in Nederland bezit geen aandelen. Sterker nog: de rijksoverheid wil eigenlijk ook helemaal geen invloed.

Afgelopen week wees minister-president Balkenende (CDA), na vragen van SP-fractievoorzitter Kant, interventie in de verkoop van Nuon en Essent van de hand. Hij verwees naar wat minister Van der Hoeven (CDA) van Economische Zaken enkele dagen daarvoor de Tweede Kamer al had verteld: dat zij geen aandeelhouder is en dat haar mening er niet toe doet.

Balkenende en Van der Hoeven verdedigden de splitsing van de energiebedrijven. Maar bijna een jaar geleden werd al duidelijk dat de Duitse en Franse regeringen helemaal niets zien in het opbreken van hun grote energieconcerns. Nederland zag dat niet als argument om het eigen beleid tegen het licht te houden, maar volhardde in de pogingen om Frankrijk en Duitsland op andere gedachten te brengen.

Nederland hoopte met de splitsing een voorsprong op te bouwen, maar het blijkt nu een achterstand op te leveren. Nu kan Nederland alleen nog maar zeggen dat het de braafste is.

De reflex van non-interventie bij verkoop van energiebedrijven is niet de enige parallel met de verkoop en opsplitsing van ‘systeembank’ ABN Amro in 2007. Ook nu gaan de aandeelhouders voor het grote geld. Ook nu heerst in Den Haag de angst voor de confrontatie: met aandeelhouders, met de Europese Commissie in Brussel. Calimero is onder ons: zij zijn groot en wij zijn klein. Essent is toch te klein, is de redenering, zelfs na een fusie met Nuon.

Ook waar Nederland groot is – bij banken – ontstaat opeens het gevoel: we moeten weer klein worden. PvdA-fractiewoordvoerder Paul Tang en minister van Financiën Bos vertolkten de afgelopen week zulke opvattingen. Bos wil grenzen aan de groei van banken. Tang zegt: Nederland moet verder met kleine banken, wel zo veilig.

Meningenstrijd om de verkoop van bedrijven met een nutskarakter als Essent, Nuon en ABN Amro is strijd tussen economische nationalisten en economische internationalisten. „Wij leven niet in Nederland, maar in Europa”, zei bestuursvoorzitter Michiel Boersma van Essent tegenover Het Financieele Dagblad na het bod van RWE.

Frappant is dat niet alleen de gebruikelijke economisch nationalisten als SP en PVV tegen verkoop zijn. VVD-erelid Wiegel heeft verkoop van de energiebedrijven als dom bestempeld, werkgeversvoorman Wientjes vroeg Balkenende in een brandbrief om een denkpauze van drie maanden.

De coalitiepartijen CDA en PvdA zijn samen met D66 en de VVD de primaire economische internationalisten. Zij moeten niet zoveel hebben van de nationale belangenpolitiek zoals die in Frankrijk, Duitsland of Italië wordt gevoerd, zeg maar: het chauvinistisch industriebeleid.

Als pleitbezorger van Europa blijkt Nederland daarbij veel meer dan grote landen ontvankelijk voor het imponeergedrag vanuit Brussel. Premier Balkenende voelde zich gewaarschuwd toen president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank in het ABN Amro-dossier begin 2007 een standje kreeg van eurocommissaris McCreevy. De splitsing van energiebedrijven, zoals de Europese Commissie die voor zich zag, was in Nederland een bijna-vanzelfsprekendheid. Daarop terugkomen en ruzie met Brussel riskeren toen anderen niet meededen, was geen keuze.

Tegenover de Nederlandse internationalisten staan de economische nationalisten als de SP en de PVV. Zij zijn in Nederland de primaire eurosceptici. Maar tegelijkertijd zijn zij voor politici in andere Europese landen heel herkenbare Europeanen. Landen als Frankrijk en Duitsland staan onder de vlag van Europa pal voor hun eigen economische belangen en hun eigen nationale energiebedrijven.

Sterker nog: zij proberen die als Europese belangen aan de man te brengen. Sterke, ongesplitste Franse en Duitse energiebedrijven zijn alleen maar goed voor de toekomstige leveringszekerheid van energie in Europa, is hun redenering. Dat is ook precies het beleid waarvan Nederlandse economische nationalisten geporteerd zijn. Zij zijn net zulke Europeanen als Fransen en Duitsers.