Overdrijving helpt niet tegen misdaad

Er zijn veel psychosociale problemen onder Marokkaanse gezinnen in achterstandswijken. De criminaliteitscijfers zijn niet rooskleurig maar moeten niet worden overdreven. De vraag is of het wij-zij-denken aan Marokkanen is te wijten.

Theo Doreleijers is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan het VU medisch centrum en hoogleraar forensische psychiatrie aan de Universiteit Leiden. Carmen Paalman is als onderzoeker verbonden aan het VU medisch centrum.

In navolging van Fleur Jurgens’ Het Marokkanendrama verschijnt binnenkort het volgende boek over de problemen met Marokkaanse jeugd dat in opdracht van de stichting Politie en Wetenschap is geschreven. In zijn stuk voert Paul Andersson Toussaint een gevecht met een fictieve vijand. Ondertussen is iedereen, beleidsmakers en politici incluis, zich ervan bewust dat er problemen zijn bij Marokkaanse jongeren, problemen die veelvuldig besproken worden in kranten en op tv.

Tegelijkertijd zijn er de afgelopen jaren verschillende wetenschappelijke onderzoeken verschenen waarin de problemen vanuit verschillende perspectieven: sociologische, psychologische en psychiatrische, worden geanalyseerd. Nuancering leidt volgens Andersson echter tot werkelijkheidsontkenning en alleen met populistische taal kan „de waarheid benoemd worden”. Op het gevaar af onder de groep van ‘politiek correcte werkelijkheidsontkenners’ geschaard te worden, willen wij enige nuance aanbrengen in zijn stuk.

Het is doorspekt met subjectieve belevingen, die op zich legitiem zijn, maar onhoudbaar als je van de ‘werkelijkheid’ wilt spreken (tegenover de werkelijkheidsontkenners). De getallenregen in het stuk wordt nergens onderbouwd of verantwoord. Zo zijn er volgens hem ‘duizenden en duizenden haatkoppen’ in de stad, is het vage ‘een aantal’ voldoende voor zijn eigen argumentatie en worden anonieme bronnen aangehaald om eigen ongenoegen kracht bij te zetten. Het volgens hem officiële criminaliteitscijfer dat 33 procent van de Marokkaanse jongens crimineel is, klopt niet. Wel is het zo dát Marokkaanse jongens sterk oververtegenwoordigd zijn in de politieregistraties (maar niet in die mate zoals Antilliaanse jongens).

Van de jongens van Marokkaanse komaf tussen de 12 en 17 jaar staat 6,9 procent geregistreerd als verdachte en van de leeftijdsgroep 18 tot 24 is dat 10,7 procent (tegenover totale percentages in de leeftijdsgroepen van 2,6 procent en 3,9 procent; bron: WODC). Hierbij moet nadrukkelijk worden gezegd dat deze jongeren verdacht zijn en (nog) niet veroordeeld. Nog steeds een aanzienlijk percentage, maar zeker niet de 33 (of zelfs 70 procent volgens anonieme bron). Die ‘70 procent met een antecedent’ zegt sowieso niet zoveel omdat hierin elke mutatie van de politie zit, dus ook wanneer je getuige bent van een ongeval, je paspoort vermist is of je ouders ruzie maken. Door iedereen met een antecedent crimineel te noemen, zou de meerderheid van de Nederlandse bevolking achter de tralies horen.

Ook wordt in het stuk verwezen naar verdachten van misdrijven in Amsterdam Slotervaart en wordt er stilzwijgend vanuit gegaan dat al deze verdachten van Marokkaanse komaf zijn. Niet dat de werkelijke cijfers rooskleurig zijn, integendeel. Wanneer gekeken wordt naar veroordelingen, blijken de Marokkaanse jongeren nog steeds oververtegenwoordigd. Onderzoek van de Universiteit Utrecht laat evenwel zien dat Marokkaanse jongeren sneller en voor minder ernstige delicten veroordeeld worden dan Nederlandse jongeren die volgens Andersson een pakkans van 1 op 50 hebben. Met andere woorden: daar waar Nederlandse jongeren niet worden veroordeeld, worden Marokkaanse jongens dat wel. Er is sprake van een vicieuze cirkel: de jongeren provoceren, het systeem (politie, OM, rechtbank) komt met een overreactie en daarmee wordt ieders rol keer op keer bevestigd.

Dat er grote problemen zijn bij de Marokkanen in de achterstandswijken van Amsterdam, bleek onder meer uit onderzoek van het VUmc onder kinderen onder de 12 jaar met en zonder politiecontact, en hun ouders. Naast de sociaal-economische achterstand zijn er veel psychische problemen zowel bij de ouders als bij de kinderen. Deze ouders en kinderen zouden eigenlijk hulp moeten krijgen, maar de hulpverlening en de Marokkaanse gemeenschap kunnen elkaar moeilijk vinden, hoewel steeds meer initiatieven ontplooid worden om daar verbetering in te brengen (zoals de wijkposten van de Bascule voor laagdrempelige psychosociale hulp in Osdorp). Ook uit onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat kinderen van Marokkaanse komaf minder vaak behandeld worden voor bijvoorbeeld hun gedragsproblemen, met alle gevolgen van dien.

Zo dynamisch en beweeglijk steden zijn zoals ook Andersson beschrijft, zo dynamisch is ook identiteit. Het problematiseren van een Marokkaanse identiteit is net zo onzinnig als van mensen eisen de Nederlandse identiteit aan te nemen. Wellicht behoort Elatik in tegenstelling tot Andersson wél tot de generatie jongeren die in staat is flexibel met verschillende (etnische) identiteiten om te gaan. De werkelijkheid ís namelijk een multi-etnische samenleving die kennelijk nog steeds angstaanjagend is voor oudere generaties, maar tegelijkertijd een vanzelfsprekendheid is voor jongeren. Ook in een onderzoek in Rotterdam komt naar voren dat een jonge Marokkaan zichzelf best als Marokkaan en moslim kan zien, maar zich tegelijkertijd ook zeer verbonden voelt met de Nederlandse samenleving. Onderzocht moet worden wie het wij-zij denken in stand houden.

Wij zijn van mening dat problemen niet worden opgelost door ze nog groter te maken dan ze al zijn en te wedijveren wie het meest kan ‘benoemen’, maar door te kijken waar wél veranderingen mogelijk én nodig zijn.

Niet alleen zijn steden in topografisch opzicht gesegregeerd, het beleid in Nederland typeert zich ook door segregatie. Er zijn teveel ministeries, instellingen en in het algemeen organisaties die zich met ‘het Marokkanenprobleem’ bezighouden, met ieder een eigen geldstroom, een eigen visie en een eigen agenda. Met een meer gemeenschappelijke visie en met veel meer samenwerking kan geld en energie effectief geïnvesteerd worden. ‘Wij’ en ‘zij’ in één klap.

    • Theo Doreleijers
    • Carmen Paalman