Oosteuropeanisering

De Nederlandse wetenschap wordt in toenemende mate geteisterd door planning. De Oost-Europese planeconomie moge niet zo’n succes geweest zijn in Oost-Europa zelf, maar in de Nederlandse wetenschap neemt de top-down planning toe. Die plannen worden bedacht in ministeries of door commissies van onderzoekers, die te eerbiedwaardig of te dement zijn geworden om zelf onderzoek te doen. Onderzoekers zijn flexibel en persen hun onderzoek zo goed mogelijk in die bedenksels van hogerhand. Zelfs die meegaandheid is vaak niet genoeg, want mijn inventieve collega-onderzoekers lobbyen in Den Haag. Zij pogen de subsidiabele onderzoeksprogramma’s zo geformuleerd te krijgen dat hun eigen onderzoek er optimaal in past.

Stel, Jan werkt aan schimmelinfecties. Dan gaat Jan naar Economische Zaken en schildert een gruwelijk beeld van de oprukkende schimmel in Nederland, waardoor straks onze industrie zonder werknemers komt te zitten. Het geld komt los en iedere schimmeldokter wil een deel van de poet. Dat gaat natuurlijk niet. Geld van EZ is niet bedoeld voor vrijblijvende wetenschappelijke Spielerei, maar voor oplossing van een klemmend maatschappelijk probleem: schimmel van de voet (waar Jan uiteraard zelf aan werkt). Helaas, helaas, al die verdienstelijke onderzoekers die schimmelinfecties in de long of in de darm pogen te genezen, komen niet voor subsidie in aanmerking.

Een klein probleem is dat het nieuwe voetprogramma wel in samenwerking moet worden uitgevoerd met het bedrijfsleven. Het is namelijk mede bedoeld om het Nederlandse bedrijfsleven onderhands te subsidiëren zonder dat EZ in aanvaring komt met Neelie Kroes en haar Brusselse regelgeving. Gelukkig is er meestal wel een bedrijf te vinden dat aan voetschimmel werkt, of althans dat wil pretenderen. Zo niet, dan richt Jan zelf een bedrijfje op. De vindingrijkheid van Nederlandse onderzoekers bij het aftappen van subsidiekranen is onbegrensd.

Dit voorbeeld is gechargeerd, maar niet ver van de Nederlandse werkelijkheid. Steeds meer overheidsgeld stroomt top-down en stringent geoormerkt naar de Nederlandse onderzoekers. Zoals de evaluatiecommissie NWO vorig jaar zuur opmerkte, gaat er meer geld langs NWO dan via NWO. Terwijl het onderzoeksgeld niet toeneemt, komt een steeds groter deel van het geld uit de aardgaspot (het Fonds Economische Structuur versterking) en dus van EZ in plaats van NWO.

Er was een tijd dat de kopstukken van het Nederlandse bedrijfsleven afstand namen van overheidspogingen om het Nederlandse onderzoek te bedillen. Universiteiten moesten doen waar ze goed in zijn: grensverleggend onderzoek en opleiding van onderzoekers. Die geluiden zijn verstomd. Veel bedrijven vinden het wel handig dat beroemde onderzoekers met de hoed in de hand aan de poort staan en om samenwerking bedelen. De bedrijven hebben drastisch gesneden in hun eigen onderzoekscapaciteit. Dan is het kostenefficiënt als die capaciteit kan worden aangevuld met goedkoop universitair onderzoek, zeker als dat ook nog ten dele betaald wordt door EZ uit de aardgaspot.

Helaas is de wetenschapsoosteuropeanisering niet echt goed voor het Nederlandse onderzoek. Top-down planning helpt om meer 'focus en massa' aan te brengen in het Nederlandse onderzoeksveld, maar je doet er geen ontdekkingen mee. Bestuurlijke drukte genereert beleidsfunctionarissen en extra papier en houdt de onderzoeker van het werk. Al dat gestuur leidt ook niet tot de nieuwe innovatieve bedrijven waar onze regering op mikt. Neem de biotechindustrie, een typisch kennisgedreven bedrijfstak met hoogwaardige banen. Die industrie is ontstaan in Amerika, maar niet omdat de Amerikaanse regering de biotech stuurde. Het overheidsgeld ging naar de National Institutes of Health en vervolgens moesten de onderzoekers maar zorgen dat het terechtkwam bij de beste onderzoekers. Dat is gebeurd en zo zijn de fundamentele ontdekkingen gedaan waarop de hele biotech-industrie is gebaseerd.

Wel heeft de Amerikaanse overheid gezorgd voor een goede doorstroming van nieuwe kennis naar nieuwe industrie. Met de Bayh-Dolewet uit 1980 werden de universiteiten aangemoedigd om de ontdekkingen van hun onderzoekers te exploiteren en die exploitatie werd vereenvoudigd door goede omstandigheden te scheppen voor de oprichting van nieuwe bedrijfjes door ondernemende professoren.

Ook in de huidige crisis kiest de regering-Obama weer voor deze weg: er gaat 35 procent meer subsidiegeld naar de National Institutes of Health voor onderzoek en 50 procent meer naar de National Science Foundation. De overheid geeft daar geen top-down instructies bij over de besteding van het geld. Wat de meest kansrijke onderzoeksprojecten zijn, wordt door de onderzoekers zelf bepaald en niet door ambtenaren of commissies van verlepte onderzoekers.

Het blijft niet bij deze incidentele bonanza. In een toespraak bij de jaarlijkse bijeenkomst van de Amerikaanse Academy of Sciences (NAS), beloofde Obama dat hij de uitgaven voor wetenschap en technologie in de VS zal opschroeven tot boven de 3 procent van het BNP, crisis of niet. Hoewel het extra geld welkom is, zijn mijn Amerikaanse collegae nog enthousiaster over de fundamentele mentaliteitswijziging in Washington. Zoals Obama zei tegen de NAS: “Ik wil er zeker van zijn dat overheidsbeslissingen gebaseerd worden op de beste en onbevooroordeelde wetenschappelijke kennis; dat de feiten de beslissingen sturen en niet omgekeerd”. Obama’s toespraak is na te lezen op internet (www.nas.edu). Ik had wel spijt dat ik, als NAS-lid, niet naar Washington was gegaan om de happening mee te maken.

De 21,5 miljard dollar die Obama nu geeft aan het serieuze Amerikaanse onderzoek, komt omgerekend naar bevolkingsaantal neer op een bedrag van zo’n 1 miljard euro voor Nederland. Eén miljard! Wie de plannen van ons kabinet doorneemt, vindt niets voor fundamenteel onderzoek. Geen cent extra voor NWO. Alleen pleidooien voor nog meer top-down programma’s. Het staat vast dat zulke programma’s vaak onzorgvuldig tot stand komen en dat het geld deels wordt verspild door gebrekkige kwaliteitscontrole. Dat is de conclusie van iedere commissie die daar in de afgelopen jaren naar heeft gekeken.

De gebruikelijke politieke tegenwerping tegen dit gefoeter is dat het toch prima gaat met de Nederlandse wetenschap. De kennisinvesteringsagenda van het Innovatieplatform laat immers zien dat Nederlandse onderzoekers meer mooie artikelen schrijven en meer geciteerd worden dan onderzoekers elders in de wereld. Dat is juist, maar dat is het resultaat van een steeds scherpere concurrentie om steeds schaarsere gelden voor het echte onderzoek. De NRC van 28 februari 2009 heeft de treurige cijfers op een rij gezet onder het motto: “Nederland is nu nog Kennisland, maar dat duurt niet lang meer”. Je kunt door heel hard te knijpen in een citroen een forse sapstroom genereren, maar wie niet van tijd tot tijd citroenen bijkoopt, zal over tien jaar geen sap van wereldklasse meer produceren. Wie nu niet investeert in de kenniseconomie, zoals Obama in de VS, maakt van Nederland een schuldenloos ontwikkelingsland dat voor nieuwe kennis bij andere landen aan moet kloppen. Wie alleen geld wil geven voor top-down bedacht toegepast onderzoek, eindigt met Oost-Europese wetenschap uit de hoogtijdagen van het communisme.

    • Piet Borst