Ongunstige gloed

Karel Knip

Vragen, allerlei vragen, maar onvoldoende antwoorden, deze week. Om te beginnen een verontrustende e-mail uit Veldhoven in Brabant. “Ik was ’s avonds in de keuken bezig met o.a. het vullen van de thermos-theekan met kokend water. De theezakjes waren op, dus ik pak een nieuw doosje en stroop daar het cellofaan omhulsel van af en doe dat in het afvalbakje onder de gootsteen. Plotseling was er een halve meter voor mij een lichtverschijnsel dat als een heldere langgerekte bol met een middelhard geluid uit elkaar spatte en verdween (ook mijn vrouw die in de huiskamer naar de tv keek, hoorde het geluid). Het leek even op een zinsbegoocheling! Ik schrok uiteraard en dacht toen aan een lamp die stuk ging. Maar welke? Alles werkte nog na het uit- en inschakelen! Na een grondige inspectie was er ook in de rest van de keuken tot achter de kastdeurtjes en in de laden niets opmerkelijks te zien.”

Dat was die e-mail die ‘bijzondere gebeurtenis’ als titel had en kalm afsloot met de woorden ’misschien zit er iets in voor uw rubriek, bij voorbaat dank, vriendelijke groet’.

Het tijdstip waarop de thermostheekan werd gevuld was ongeveer 19 uur en de beschreven avond was de avond van zondag 5 april. Het was, volgens de geregistreerde metingen van het KNMI, een dag geweest waarop de temperatuur in Eindhoven niet boven de 16,3 graad Celsius was gekomen. Het had 3 uur geregend en de overheersende windrichting was ONO: oostnoordoost. Maar er was geen moment sprake geweest van onweer. Niets! Geen flitsje, geen weerlicht, geen gerommel.

Daarin zit hem het raadsel, want de beschrijving die lezer Ico van der W. gaf van het verschijnsel, een beschrijving die hij op verzoek nog verder aanvulde, kwam als twee druppels water overeen met die van een bolbliksem of een vuurbol. Een diameter van ongeveer 30 centimeter, een bestaan dat maar een seconde of wat duurt en middelhard geluid bij het uiteenspatten. Precies zo komt men het in de boeken tegen. Soms is de knal wat harder, soms ontbreekt hij. Camille Flammarion beschrijft in ‘Het weer en de dampkring’ (1888) een vuurbol die op 5 juli 1852 door de Parijse kamer van een kleermaker trok en bij vertrek door de schoorsteen zo heftig ontplofte dat de nok van het dak vernield werd. Maar hij noemt ook een vuurbol die op 29 augustus 1791 in een Italiaanse wei onder de rokken van een blootvoetse jonge boerin gleed en slechts met ‘geraas’ in de lucht verdween toen hij weer uit haar onderlijfje tevoorschijn kwam. Geen knal.

“De meeste bolbliksems worden buiten waargenomen”, zegt buienspecialist Iwan Holleman van het KNMI. “En altijd is er dan sprake van onweer. Ik krijg een tot twee meldingen van bolbliksems per jaar. Toen ik zo'n tien jaar geleden de eerste kreeg dacht ik dat het een verzinsel was, maar de beschrijvingen zijn steeds hetzelfde.”

In Veldhoven was geen onweer. Er was alleen het afvalbakje onder de gootsteen, die theethermoskan, het cellofaan, de zakjes en misschien al wat van die thermosthee. Lezer Van der W. zelf denkt dat het cellofaan het verschijnsel teweeg bracht, misschien langs elektrostatische weg. Maar hij sluit ook niet uit dat er vervroegde uitstorting van heilige geest was. Het heeft zijn leven niet ontregeld.

Hij was niet de enige die vreemd licht zag. Al in januari was een e-mail gearriveerd van een lezeres die haar honden een paar zware botten van de slager had gegeven. Verse runderbotten die de slager diepgevroren had bewaard. De honden hadden er twee dagen aan geknaagd, maar verrot waren de botten toen nog niet. De aanhangende vleesresten waren misschien net niet rood meer. Toen mevrouw Van D. op de avond van de tweede dag het licht doofde in de ruimte waar de honden de nacht doorbrachten straalde uit de hoek waar de botten lagen een vreemd groenig licht. “In het donker duidelijk waarneembaar”. ‘t Kwam van de plaatsen waar het bot was gebroken.

De buitenstaander begrijpt dat ook in de hondenogen een ongunstige gloed gloeide, dat gerommel van ver verwijderd onweer hoorbaar was en dat ergens een venster klepperde, maar de e-mail zwijgt daarover. Alleen dit: botten die groenig licht gaven. En de vraag of er voor het fenomeen een verklaring was.

Het antwoord is: misschien. Omdat het licht als groenig wordt beschreven en kennelijk nog geen bacterieel bederf was opgetreden, is het aannemelijk dat de botten fosforesceerden. Fosforescentie is minder zeldzaam dan vaak wordt aangenomen. Internet noemt calciumfosfaat als een stof die goed fosforesceert en calciumfosfaat is nauw verwant aan hydroxyapatiet dat een belangrijk bestanddeel is van botten. Fosforescentie van verkalkt weefsel (calcified tissue) krijgt op internet ruime aandacht.

In essentie wordt bij fosforescentie (wel te onderscheiden van fluorescentie) lichtenergie uitgezonden die eerder was opgevangen. Meestal duurt het maar kort. De stof zinksulfide die veel voor plastic ‘glow in the dark’-spulletjes is gebruikt deed het een paar kwartier.

Nu naar de vader die van zijn dankbare kinderen, vèr voor vaderdag, een prachtig kussensloop kreeg met versregels erop van het soort ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen enz.‘ Hij toonde zijn erkentelijkheid door het sloop nog dezelfde avond in gebruik te nemen maar heeft vrijwel de hele nacht wakend doorgebracht. De vette letters van het gedicht gaven meer licht dan de maan als zij vol is. Urenlang. Inmiddels heeft hij vastgesteld dat de commercie het oude zinksulfide heeft losgelaten en strontiumaluminaat in gebruik nam. Een formidabele verbetering.