Nederduitse malaria

Het nieuws van nu lijkt op het nieuws van toen. De wereld wapent zich tegen de Mexicaanse griep. Pandemieën zijn van alle tijden.

Een pandemie is een ziekte die zich over de hele wereld verbreidt, maar vroeger kon die wereld betrekkelijk klein zijn. Neem bijvoorbeeld de omgeving van het Friese dorpje Jorwert. Onlangs kreeg ik de sterftestatistieken in handen van de voormalige gemeenten Baarderadeel en Henneradeel. Als je daarop afgaat kenden deze doorsnee plattelandsgemeenten, indertijd zo’n 5.000 inwoners, de afgelopen twee eeuwen weinig rampspoed. De beruchte Spaanse griep van 1918-’19, die wereldwijd tussen de 20 en 50 miljoen levens kostte – vele malen meer dan de hele Eerste Wereldoorlog – duwde de curve daar in Friesland maar een klein stukje omhoog. Niks pandemie. Ook een grote overstroming, in 1825, bleek relatief toch niet zoveel dodelijke slachtoffers te hebben gemaakt.

In het bijna vergeten jaar 1859 moet er echter wel iets heel ernstigs aan de hand zijn geweest. De grafiek vliegt opeens omhoog, het aantal doden – normaal zo’n 100 per jaar – verdubbelt, 4 procent van de bevolking sterft dat jaar. Het gemeenteverslag van dat jaar spreekt van „koortsen, die overal heersten, en die, somtijds een kwaadaardig karakter aannamen en meestal zeer hardnekkig en uitputtend waren”. Cholera, weten we nu.

Een andere opvallende piek is het jaar 1826. Er moeten toen grote drama’s hebben plaatsgevonden. Het gemeentelijke boek van overledenen had dat jaar zelfs niet genoeg ruimte om alle overledenen te registreren, er was een handgeschreven bijlage aan toegevoegd met almaar nog nieuwe doden.

Wat was hier aan de hand? Er is een dagboek bewaard gebleven van een boer uit de buurt, Lieuwe Jans de Jong. Hij schrijft dat het die zomer buitengewoon heet was, „de gewone hitte in den Oost overtreffende”. En plotseling worden ook mensen ziek. „Van rond omme hoort men van zieke mensen”, noteert hij op 17 augustus. Op 1 oktober komen overal ziektemeldingen vandaan, tot uit Zweden en Oost Friesland toe. „De nieuwspapieren waren opgestapeld van doodsberichten.” Boer Jans de Jong spreekt van ‘tussenpozendste koortsen’, maar wat het werkelijk was, men had geen idee.

Pandemieën zijn van alle tijden. En al is onze kennis met sprongen vooruit gegaan – in 1919 werd, volgens The Times, de Spaanse griep nog bestreden met mosterdbaden, gorgelen met zout water en een goed glas port –, dit soort uitbraken zullen, zo valt te vrezen, ook wel van alle tijden blijven.

De pest hield vanaf de 14de eeuw zo hevig huis in Azië en Europa dat decennialang ooit vruchtbare streken onbebouwd bleven. Het duurde vier eeuwen, tot in de 18de eeuw, voordat de Franse bevolking zich van deze gigantische sterftegolven had hersteld. In Amsterdam vielen nog in 1663-’64 bij een pestepidemie ruim 30.000 doden, dat wil zeggen één op de zeven inwoners – onder wie Rembrandts geliefde, ‘poezel van lichaam’, Hendrickje Stoffels.

De eerst bekende pandemie uit de geschiedenis was vermoedelijk tegelijk een van de allergrootste: de zogenaamde Justiniaanse pest. De epidemie – vermoedelijk builenpest – dook in 541 plotseling op in de Egyptische havenstad Pelusium, en teisterde vervolgens zeker twee eeuwen lang Europa en Azië. Het aantal slachtoffers was verbijsterend. In Constantinopel, waar de pest in 542 opdook, lagen tienduizenden lijken in enorme stapels buiten de stadsmuren te rotten. Toen het aantal doden de 230.000 had bereikt hield men op met tellen.

De pest bereikte Gallië en Noord-Italië rond 570. De Lombardische chroniqueur Paulus Diaconus noteerde: „Je kon de wereld zien, teruggebracht tot zijn oude stilte. Geen stem in het veld; geen gefluit van herders…”

Het verloop van de epidemie in Constantinopel is, dankzij ooggetuigenverslagen, goed gedocumenteerd. Verder naar het noorden zijn de meldingen schaarser, maar de maatschappelijke consequenties moeten verstrekkend zijn geweest. De eerste diepgaande studie naar deze pandemie draagt niet voor niets de titel: Plague and the End of Antiquity (Cambridge University Press).

Uit de Lage Landen zijn, voor zover ik weet, geen meldingen bekend. Maar het zou me niets verbazen als de opvallende bevolkingsterugval in de 6de eeuw – veel Friese terpen lagen er in die periode verlaten bij – er ook iets mee te maken heeft.

Nog een laatste mysterie. Waarom ging het bij die kleine pandemie van 1826 nu werkelijk. Wat waren die ‘tussenpozendste koortsen’? Geen cholera, en ook geen pest. Onderzoekers leggen tegenwoordig een verband tussen de beschreven symptomen, de overstroming van 1825, de vermoedelijk nog kletsnatte landerijen in 1826, en dan die bloedhete zomer. Vermoedelijk is het gewoon malaria geweest. Nederduitse malaria, een vergeten jaar en een vergeten ziekte, en toch bezweek in Groningen maar liefst 10 procent van de bevolking.

    • Geert Mak