'Maar één doel: wereldkampioen worden'

Bijna een jaar is Bert van Marwijk (57) bondscoach van het Nederlands voetbalelftal. „Ik heb me gestoord aan de euforie tijdens het EK.”

Nederland, Hoenderloo, 22-05-2009 Lambertus (Bert) van Marwijk (Deventer, 19 mei 1952) is een voormalig Nederlands voetballer. In 1988 zette hij een punt achter zijn carrière en begon hij een carrière als trainer. Op het Europese toneel wist hij met Feyenoord in 2002 de UEFA Cup te winnen. Momenteel is hij bondscoach van het Nederlands elftal. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS

Als de suggestie wordt gewekt dat Bert van Marwijk bij het Nederlands elftal eigenlijk voortborduurt op het werk van Marco van Basten, reageert de bondscoach fel. „Nee, zo zie ik dat totaal niet. Ik heb altijd met mijn elftallen het systeem gespeeld dat nu bij Oranje wordt gehanteerd. Dat deed ik al bij Feyenoord voordat Nederland zo ging spelen. Sterker nog, ik heb daarover in die tijd nog wel eens met Marco in de Kuip gesproken. Want ik zag juist bij Oranje de mogelijkheden om volgens het 4-2-3-1-concept te spelen. Het gaat mij echt niet om meer waardering. Ik constateer slechts. Zo moet ik ook wel eens lachen als ik de lijstjes zie verschijnen van trainers die bij bepaalde clubs in beeld zijn. Je ziet altijd dezelfde namen. En ik moet altijd goed zoeken naar die van mij.”

Van Marwijk kijkt in zijn werkkamer in de bossen van Zeist na een klein jaar tevreden terug op zijn eerste passen als bondscoach. Voor hem op tafel liggen drie appels, er staat een aangebroken pak melk. Aan de muur hangt een portret van hemzelf met zijn assistenten Frank de Boer, Phillip Cocu en Dick Voorn. „Het leven van een bondscoach was compleet nieuw voor mij. Vanaf dat ik een jaar of elf was ben ik intensief begonnen met voetballen, trainde ik vier keer in de week en op zaterdag speelde ik vaak twee wedstrijden. Later bij de A-jeugd van Go Ahead Eagles voetbalde ik op zaterdag en zondag. Al met al stond ik dus al meer dan veertig jaar dagelijks op een voetbalveld toen ik bij Oranje begon. Als bondscoach is dat anders. Maar het bevalt me. Ik denk dat het voor iedere trainer goed kan zijn om eens wat anders te doen. Dat kan een sabbatical zijn.” En dan lachend: „Al wil ik het bondscoachschap van Oranje niet zo kwalificeren. Integendeel.”

Als bondscoach heeft Van Marwijk van nabij ervaren hoe groot de druk bij het Nederlands elftal is. „Als clubtrainer heb je daar elke dag mee te maken. Bij Oranje is dat anders. Dan speel je eens in de zeven, acht weken een wedstrijd. Maar alles is dan wel keer tien. Feyenoord heeft misschien twee miljoen aanhangers. Het Nederlands elftal is van iedereen. Alles wordt uitvergroot. Toch ben ik onbevangen begonnen. Ik luister naar mijn gevoel.

„Allereerst probeer ik een zo stabiel mogelijk elftal neer te zetten. Spelers moeten elkaar vertrouwen. Op elkaar kunnen bouwen. Je moet als team leren verdedigen. Als iedereen daaraan bijdraagt, geef je minder kansen weg. In het veld worden de spelers rustiger. Dat voel je. Maar het staat of valt bij Oranje allemaal met het resultaat. Als je de wedstrijden wint, kan je in alle rust werken.”

Met enige verbazing heeft hij de massahysterie onder het Nederlandse volk gevolgd ten tijde van het EK in Zwitserland en Oostenrijk. „Normaal gesproken is het niet gauw goed wat het Nederlands elftal doet. Wij moeten met 5-0 winnen van elke tegenstander en mooi voetbal spelen. Maar als het dan een keer werkelijk zo goed verloopt, zoals in de groepswedstrijden in Bern, dan verliezen we de realiteit volledig uit het oog. Daar heb ik me echt aan gestoord. Het ging maar door. Ook de media deden eraan mee. Terwijl Van Basten en Van der Sar al na de zege in de openingswedstrijd op Italië probeerden de euforie te temperen. Het elftal wordt door dat overdreven enthousiasme opgeslokt, sterk beïnvloed.”

Hij zal proberen tijdens het wereldkampioenschap in Zuid-Afrika, dat sowieso ver van de mogelijke gekte is verwijderd, daar niet in mee te gaan. „Vanaf de eerste dag heb ik de spelers geprobeerd duidelijk te maken dat, áls we ons plaatsen, we niet gaan om een paar aardige wedstrijden te spelen. ‘We hebben een missie’, heb ik steeds gezegd. Uiteindelijk gaat het maar om één doel: wereldkampioen worden. Elk wedstrijd die we spelen staat in het teken van dat streven. Iedereen is daarvan doordrongen. Ook tegen Macedonië zag ik veel gretigheid bij de spelers. Ik liet Frank de Boer een keer het afwerken leiden op de training. Buiten de uitleg over de oefening vertelde hij ook over zijn ervaringen van de mislukte kwalificatie voor het WK van 2002. Toen ging het al mis in de eerste wedstrijden. Een oefening vertalen naar een praktijkvoorbeeld. Dat had hij goed gedaan.”

Hoewel hij het schrikvoorbeeld van Foppe de Haan in zijn achterhoofd heeft, kijkt Van Marwijk al voorzichtig naar het mondiale toernooi in 2010. De Haan won met Europees kampioen Jong Oranje vorig jaar vijf kwalificatieduels, maar plaatste zich toch niet door de laatste drie wedstrijden te verliezen. Aangenomen mag worden dat het A-elftal dit niet overkomt, nu het nog één punt nodig heeft uit de resterende drie interlands. Begin juni staan duels tegen IJsland (uit) en Noorwegen (thuis) op het programma. „Op een congres in Wenen heb ik oud-bondscoach Carlos Alberto Parreira eens horen praten over het traject dat Brazilië doorliep naar de wereldtitel van 1994. Erg boeiend. Ik merk dat hoe meer ik er over praat, ik steeds fanatieker word. De accommodatie in Zuid-Afrika is nu helemaal geregeld. We hebben ervoor gekozen van hoog naar laag te gaan. Andersom gaat moeilijk. Ons hotel in Johannesburg bevindt zich op 1.700 meter, de wedstrijden in Durban en Kaapstad zijn op zeeniveau. Stiekem kijk ik al uit naar het WK.”

Van Marwijk, die één keer voor Oranje uitkwam, beseft dat er geen hoger podium bestaat dan een wereldkampioenschap. „Het gevoel om in het Nederlands elftal te mogen spelen is nog steeds hetzelfde als in mijn tijd als speler. Maar alles erom heen is enorm veranderd. Als we bijvoorbeeld op een trainingskamp in Spanje een wedstrijd met grote cijfers verloren, dan wilde het nog wel eens gebeuren dat de manager gewoon een gelijkspel doorgaf aan het thuisfront. Ik was drie keer per jaar op televisie. Alleen als we tegen Ajax, Feyenoord en PSV speelden. Dan moest ik mezelf echt met een vinger op het scherm aanwijzen aan mijn vader. Toen ik bij Dortmund de jonge Sahin liet debuteren kende binnen vijf minuten heel Duitsland hem. Als trainer moet je rekening houden met de veranderende omstandigheden. Doe je dat niet, dan val je af. Zoals een speler moet leren om in een volle Kuip te spelen, dienen de huidige coaches eerst een periode bij een grote club zien te overleven. Wat dat betreft is het jammer dat Marco van Basten gestopt is bij Ajax. Maar hij is wel heel eerlijk geweest.”

Nog niet zo lang geleden constateerde Van Marwijk dat de achterstand van de eredivisie op de grote buitenlandse competities qua spelniveau steeds meer groeit. In Nederland is de afgelopen jaren geprobeerd met de play-offs enerzijds een aantrekkelijker verloop van de competitie te creëren en anderzijds de kwaliteit van het voetbal te verbeteren. Ondertussen willen veel clubs het ingewikkelde nagerecht het liefst afschaffen. „Ik ben zelf ook geen voorstander van de play-offs. Ik vind dat je meer ruimte moet creëren op de speelkalender. Daardoor kunnen spelers zich beter voorbereiden op Europese wedstrijden en interlands. Maar ik kan me heel goed voorstellen dat clubs die zich op de ranglijst ergens tussen de nummers zes en zestien bevinden, zeggen: ‘dit is voor ons een ideale kans ooit nog eens Europees te spelen’.”

De vraag is natuurlijk of het Nederlandse voetbal gebaat is bij de internationale deelname van een dark horse. „We moeten er in ieder geval voor zorgen dat de clubs die de meeste kans hebben te overleven in de Europese competities zich daar ook voor plaatsen. In de oude opzet kon de nummer twee van de eredivisie nog overal naastgrijpen. Toen ik dat voor het eerst hoorde dacht ik: dit kan niet waar zijn. In een vergadering met het technisch platvorm heb ik ook aangegeven dat de play-offs volgend jaar niet te dicht op het WK mogen zitten. Sommige spelers willen na de competitie meteen verder, anderen bouwen liever een rustpauze in van een week. Als bondscoach zit je jezelf in de weg met een kalender die overvol is.”

Een gecombineerde competitie met België, waar UEFA-baas Michel Platini zich onlangs een pleitbezorger van toonde, kan Van Marwijk ook niet bekoren. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger Van Basten. „Zijn de eerste negen clubs van de Belgische competitie zoveel beter dan de laatste negen van de eredivisie”, vraagt Van Marwijk zich af. „Het is moeilijk te meten. Anderlecht, Standard Luik, Club Brugge, Genk en Gent zijn goede clubs. Het is de vraag of je er zoveel beter van wordt als je met hen een competitie begint. Ik juich initiatieven toe om het niveau van de Nederlandse competitie te verhogen. Maar op dit moment heb ik geen oplossing voor handen.”

Van Marwijk heeft er baat bij dat zijn internationals in het buitenland gedijen. Dat is ook bepalend voor de staat van Oranje op weg naar het WK in Zuid-Afrika. Er zijn nog een paar golfjes in de rimpelloze zee. Zo is er het keepersprobleem. Van Marwijk heeft zijn vertrouwen uitgesproken in Maarten Stekelenburg, die bij Ajax op een zijspoor is beland. „Gelukkig heeft hij onlangs drie wedstrijden gekeept: twee in Jong Ajax en het laatste competitieduel van het eerste elftal met FC Twente. Er is geen discussie over Maarten geweest. Hij zal hier sterker uit te voorschijn moeten komen. Ik heb hem weer geselecteerd en de komende weken op de trainingen kan ik bekijken hoe hij ervoor staat.”

Dan is er nog de teambuilding. Wesley Sneijder leverde daar niet bepaald een bijdrage aan toen hij direct na het duel met Schotland wegens zijn reserverol teleurgesteld in een taxi stapte. „Ik kan niet zeggen dat ik blij ben met wat er toen is gebeurd. Aan de andere kant heeft Wesley niemand tekort gedaan. Ik had misschien ook zo gereageerd. Hij mocht best tonen dat hij boos was.”

De frictie die er is geweest tussen dezelfde Sneijder en Robin van Persie baart van Marwijk ook geen zorgen. „Spelers hoeven geen vrienden van elkaar te zijn. Het gaat erom dat je elkaars kwaliteiten accepteert en respecteert. Daarmee word je als groep sterker. In de bus naar de wedstrijd tegen Macedonië hoorden we Edwin Evers op de radio de Boertjes imiteren. Ronald was stadionspeaker. Na de wedstrijd galmde het door de Arena dat de taxi voor Wesley al klaarstond. We hebben daar met z’n allen erg om gelachen. Je kunt ook problemen zoeken.”