'Ik stond ontveld in het leven'

Chaja Polak (1941) was gelukkig met haar twee zonen en tweede man. ‘Je draagt het verdriet zoals een moeder haar kind.’

‘Misha, Krijn-Jan en Nol zijn de drie mannen van wie ik het meest gehouden heb. Hier heb ik ze allemaal om me heen, tijdens de presentatie van mijn novelle Zomersonate in de herfst van 1997. Het was de gelukkigste tijd van mijn leven.

„Eigenlijk waren wij vieren geen gezin, natuurlijk. Ik ben 27 jaar getrouwd geweest met de vader van Misha en Krijn-Jan. Een stormachtig huwelijk, waarin ik me vaak bekneld heb gevoeld, maar ik wilde niet scheiden. De oorlog had al genoeg gezinnen uiteengerukt. Op mijn 49ste zijn we alsnog uit elkaar gegaan. We woonden in Rome. Ik ging terug naar Amsterdam, waar de kinderen toen al zelfstandig woonden. Ik kon een etage betrekken in het grachtenpand van mijn oom.

„Toen ik vijftig werd gaf ik een feestje, en daar kwam ook mijn oude vriend Nol. We kenden elkaar achttien jaar, en hadden een diepe vertrouwensband. ‘Wanneer gaan we nou trouwen?’, vroeg hij vaak voor de grap. In realiteit was ik nog getrouwd, terwijl hij na een reeks stukgelopen relaties had besloten dat alleen wonen voor hem het beste was. Hij had twee kinderen. Op die verjaardag nam hij mijn hand in de zijne, en begon onze liefde te stromen. Ik ben bij hem gaan logeren en niet meer weggegaan.

„Krijn-Jan en Misha waren toen al volwassen, ze hadden partners, maar Nol is voor hen een vaderfiguur geworden. We zijn één keer met z’n vieren op reis geweest: naar Dachau, het kamp waar mijn vader is bezweken in de oorlog. Een zware missie was dat, maar ik herinner het me als een warme, rijke reis.

„In 2004 werd Krijn-Jan ziek. Lymfklierkanker. Hij was heel sterk en werd pas op het laatst totaal opgegeven. Na anderhalf jaar stierf hij. Zijn promotie-onderzoek heeft hij nog voltooid. Voor Nol en mij was dit nieuw, het verlies van een kind. Nol beleefde het alsof het om een eigen kind ging. Eerder begreep ik nooit waarom huwelijken stranden als er zoiets gebeurt, maar nu wel: je rouwt beiden op een eigen manier, soms loopt de een radeloos door het huis terwijl de ander net even rustig de krant leest. Dat kan voor een gevoel van verwijdering zorgen. Bij ons was dat gelukkig niet zo.

„Het enige waar ik me tijdens Krijn-Jans ziekte op kon concentreren, was achter m’n computer zitten schrijven. Ik werd vaak zelf ziek als hij in het ziekenhuis lag, en dan kon ik niet naar hem toe. Ik stond ontveld in het leven; indrukken waren zwaar als rotsblokken. Om ze te kunnen dragen, moest ik ze vormgeven. Krijn-Jan ging ervan uit dat ik over zijn ziekte zou schrijven, hij gaf mij impliciet toestemming. Wachten op de schemering is uitgekomen na zijn dood.

„Kort daarop moet Nol ziek geworden zijn. Lymfklierkanker, ook. Nol was niet bang voor de dood. Het is hem gelukt waardig afscheid te nemen, met veel bezoek van dierbare mensen. Hij is thuis in zijn eigen bed gestorven. Hij is orthodox-joods begraven; zijn eigen familie is door de oorlog in massagraven terechtgekomen, en ik wilde dat bij Nol die eeuwenoude traditie hersteld werd. Vroeger of later kom ik naast hem te liggen, in het graf van mijn familie in Nijmegen.

„Er zijn momenten dat ik denk: dit is ondraaglijk. Maar ‘je draagt het verdriet zoals een moeder haar kind’, vrij naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. Anderen – Misha, alle kleinkinderen, de familie – hebben het recht om te voelen dat ik het de moeite waard vind om te leven.”

Ze tekent weer, ze repeteert met haar koor. Maar slapen blijft moeilijk. En er zijn vaak momenten van kortsluiting: dan verliest ze dingen, of stoot ze iets om. Afspraken noteert ze nauwkeurig in haar leren zakagenda, anders vergeet ze ze misschien. Overal in haar benedenwoning hangen foto’s van Nol en Krijn-Jan. Er tikt een klok.

Heeft u een suggestie voor een bijzondere foto met verhaal?

Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss