Er zijn niet slechts een paar criminele Marokkanen

Degenen die de massale criminaliteit door Marokkanen ontkennen, laten niet alleen de slachtoffers in de steek, maar ook degenen die met gezinsinterventie en politiewerk de problemen aanpakken.

Freelance journalist. Binnenkort verschijnt van zijn hand ‘Staatssecretaris of seriecrimineel; het smalle pad van de Marokkaan’ (Bert Bakker).

Op 8 januari dit jaar stond een interview in Het Parool met Fatima Elatik (PvdA), die tot stadsdeelvoorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Zeeburg was benoemd. . Op de vraag of ze zichzelf als een rolmodel zag, antwoordde Elatik: „Omdat ik Marokkaanse ben of jong en slim? Ik hoop het laatste. Jongeren werken niet met die labels van Marokkaan of allochtoon. Dat is volstrekt achterhaald.” Deze door politieke correctheid gecensureerde kijk op de werkelijkheid komt in alle politieke kringen van links tot rechts nog steeds veel voor.

Conservatief geschat word ik gemiddeld twee keer per week fysiek en verbaal bedreigd, geïntimideerd of op een andere manier onbeschoft of (extreem) agressief bejegend door allochtone jongens en mannen. De overgrote meerderheid van die groep is van Marokkaanse afkomst. Er is vrijwel nooit een rechtvaardiging voor het buitensporige gedrag van deze jongens. Hun gedrag heeft zonder enige twijfel een deels racistische oorsprong. Het feit dat ik een autochtone Nederlander ben is voldoende. Er lopen duizenden van die haatkoppen in Amsterdam rond.

Uit mijn onderzoek en vele omzwervingen in Amsterdamse wijken blijkt dat het om een veel breder fenomeen gaat. Er is geen etnische gemeenschap waar het wij-zij-denken zo sterk is ontwikkeld als juist in de Marokkaanse. Er leeft een grote groep Marokkanen in Amsterdam, die zich helemaal geen Nederlander, maar Marokkaan voelt. En die Nederlanders, de Nederlandse samenleving en het Westen vijandig gezind is. Marokkanen die hun best doen, hard werk of studeren en leuk meedraaien met de Nederlandse samenleving worden door deze groep al snel verkaast genoemd en nog veel vaker als verrader bestempeld.

En deze groep haat niet alleen de Nederlanders, maar ook Turken en alle andere etnische groepen, vooral de Surinamers. . Ik ben een middag meegereden met een Surinaamse trambestuurder en Surinaamse conducteur. Voor deze zogenoemde ‘zwarten’ zijn de Marokkaanse agressie, intimidatie, scheldpartijen en het routineus befluimen van vrouwelijke passagiers met een andere etnische afkomst al jaren dagelijkse kost.

Maar de perceptie die steeds weer wordt verkondigd door een grote groep politici, beleidsmakers, ambtenaren, professionals, journalisten en bekende Nederlanders in de babbelprogramma’s op tv is juist omgekeerd.

Volgens het Amsterdamse bureau voor Onderzoek en Statistiek verlaat ruim zestig procent van de Marokkaanse jongeren tussen de 17 en 23 de school voortijdig zonder ‘startkwalificatie’. In 2006 was 39 procent van de Marokkaanse jongeren werkloos. Van alle Marokkaanse mannen in Nederland tussen de 40 en 64 jaar leeft 62 procent van een uitkering. Behalve twee Marokkaanse winkeliers op het Allebéplein in Slotervaart, kwam ik in twee jaar tijd in Slotervaart niet één Marokkaan van boven de vijftig tegen die werkte.

Volgens een steekproef van wetenschappelijk onderzoeker Junger Tas kwam negentien jaar geleden al 33 procent van de Marokkaanse jongens in aanraking met de politie. Maar volgens een zeer goed ingelichte bron op het Amsterdamse stadshuis heeft nu zelfs zeventig procent van alle Marokkaanse jongens onder de 24 jaar in Amsterdam ‘antecedenten’. Dat houdt in dat ze één of meerdere keren door de politie voor een strafbaar feit zijn aangehouden. Deze anonieme bron heeft zeer goede contacten met de politie en heeft dat getal van de Amsterdamse politie zelf.

Op de zogeheten shortlist waarop de overlast-, hinder- en criminele groepen worden geregistreerd in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart, stonden in 2006 tweehonderd jongens. Behalve één Turk, waren dat allemaal Marokkanen. In het stadsdeel is slechts zeventien procent van de bewoners van Marokkaanse afkomst.

Een Marokkaanse gezinsbezoeker van de Stichting Aanpak Overlast Amsterdam, die de ouders van de overlastjongens en criminelen thuis opzoekt en achter de voordeur ingrijpt bij de opvoeding, vertelde dat van de jongens in zijn dossiers tachtig procent van Marokkaanse afkomst was. Dus je moet constateren dat het met de overgrote meerderheid van de Marokkaanse jongens in Amsterdam helemaal niet goed gaat en dat de meerderheid hoogstwaarschijnlijk crimineel is.

Het beeld is dus dramatisch, maar de meerderheid van de beleidsmakers en anderen die in Nederland de dienst uitmaken, ontkennen en bagatelliseren deze feiten nog steeds.

De realiteit werd gekenmerkt door de aanwezigheid van structurele ernstige criminaliteit die jarenlang kon voortwoekeren, zonder dat de politie en justitie echt ingrepen. Een reeks van Marokkaanse overlastgroepen en criminele straatgroepen domineerden en terroriseerden hele buurten. In één van de buurten, op steenworp afstand van het politiebureau, kon bijvoorbeeld ruim drie jaar lang een grote professionele scooterdieven- en helersbende ongestoord zijn gang gaan. Een groot deel van de bewoners was en is te bang om zelfs maar aangifte te doen en heeft het vertrouwen in de rechtsstaat volledig verloren.

Wat er allemaal mogelijk is als een bestuurder zijn talent en energie niet verspilt aan het ontkennen van de werkelijkheid maar stopt in het oplossen van de problemen, is te zien in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart. Al vanaf voorjaar 2006, toen de Marokkaanse stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch er aantrad. Geïnspireerd en aangejaagd door Marcouch is een groeiende groep Marokkaanse en Nederlandse ambtenaren, professionals, vrijwilligers en andere gewone burgers bezig om oplossingen voor de problemen te bedenken en toe te passen. Voormalig agent Marcouch ontwikkelde een deel van zijn aanpak onder meer in het stadsdeel Zeeburg, waar hij vanaf 2003 als coördinator jeugd en veiligheid werkte voor toenmalig portefeuillehouder Fatima Elatik. Daar kwam hij erachter dat „een deel van de ambtenarij en de zogeheten professionals met een papieren werkelijkheid werkten, waarin op papier met poppetjes werd geschoven”, en sommige jongerenwerkers bijvoorbeeld voormalige klanten van de politie waren.

Ook zag hij daar dat het maanden en soms jaren duurde voor bepaalde straatgroepen waren ontbonden. Bijvoorbeeld in de Indische buurt in Amsterdam-Oost waar deels dezelfde problemen spelen als in Slotervaart. In de Indische buurt begon Marcouch, net als jaren later in Slotervaart, met het ontbieden van ouders van de foute gasten voor een stevig gesprek. Vervolgens maakte hij afspraken met de reiniging om de probleembuurten extra te vegen en schoon te spuiten en maakte hij met de recherche afspraken om de dealers op te pakken. Hij ging vervolgens met de politie weer bij de ouders van de opgepakte jongens langs. „Als je meteen aan de slag gaat, krijgen de bewoners ook weer moed”, betoogt Marcouch.

De politie ging in enkele buurten van Overtoomse Veld-Noord vanaf voorjaar 2007 ook alles op alles zetten. In juni 2008 bleek dat er een spectaculaire daling van de misdaad was ingezet. Het aantal aangiften van diefstallen en straatroven was in 2008 met 52 procent gedaald ten opzichte van 2006. Het aantal straatroven en inbraken eveneens. De daling werd door politiechef Gerard Kuijn niet alleen toegeschreven aan de intensieve politie-inzet, maar ook aan de introductie van de straatcoaches en de gezinsbezoekers van de Stichting Aanpak Overlast Amsterdam, een initiatief van de centrale stad. En daarnaast door het opzetten van andere projecten van het stadsdeel zoals de 8-tot-8-coaches en de nieuwe aanpak van de zogeheten multiprobleemgezinnen.

Half juli 2008 maakten de politie en het stadsdeel Slotervaart bekend dat de overlast van vrijwel alle straatgroepen in Amsterdam flink was afgenomen, juist in de stadsdelen waar de straatcoaches actief waren. In heel Amsterdam was er een daling van 33 procent, maar in Slotervaart waar de straatcoaches en de gezinsbezoekers op aandringen van Marcouch als eerste actief werden, was er sprake van een daling van zelfs bijna vijftig procent.

„Er is eigenlijk een heel nieuwe beweging op gang gekomen in Slotervaart”, constateerde Ahmed Marcouch toen ik hem vorig jaar sprak. „Nieuwe bewoners die graag de eigen verantwoordelijkheid willen nemen. Niet van die geïnstitutionaliseerde clubs, maar gewone burgers. Op een deel van de scholen is de situatie aan het verbeteren. De aanpak met de straatcoaches en de gezinsbezoekers is inmiddels door zes andere stadsdelen overgenomen en willen ze in de hele stad invoeren. Toezicht, handhaving en het aanspreken van ouders is inmiddels een normale gang van zaken geworden. De aanpak van de politie, gericht op rechercheren van de criminele groepen, lijkt te werken. Er is een duidelijke afname van de criminaliteit in de wijk. We zijn er nog lang niet, maar het begint te komen.”

Maar uit gesprekken met twee politiechefs weet ik dat een deel van de politie gefrustreerd is omdat een grote groep daders die zij voortdurend oppakken steeds weer op vrije voeten komt. En de politie elke keer weer helemaal opnieuw kan beginnen met de strafrechtcarrousel.

Het grote probleem zit al decennia vooral verderop in de justitiële koker. Bij het OM, en vooral bij de strafrechters. Elke dag beslissen tientallen officieren en rechters-commissarissen dat seriecriminelen die iemand hebben mishandeld voor een Tomtom of een laptop, na een uur, een dag of drie dagen, weer vrijgelaten moeten worden. Op zijn best komt er een half jaar later een strafzaak die uitmondt in een (on)voorwaardelijke veroordeling en beslist een andere strafrechter dat de straatrover meteen of na een paar maanden al weer vrij komt.

De manier waarop het strafrecht in Nederland nu werkt, versterkt in feite de machtspositie van de Marokkaanse misdadigers in de buurt. „Als die zoon twee of drie keer is opgepakt en steeds weer is vrijgelaten, haakt zijn vader gewoon af en gaat hij in de moskee of het koffiehuis zitten”, zegt leerplichtambtenaar en voormalig agent Abdel Betti. „Als de zoon al vervolgd wordt, komt de dagvaarding pas een half jaar later. Het didactisch effect daarvan is nul. Die jongen gaat door met het terroriseren van zijn omgeving. Sterker nog: hij wordt dé man in de buurt. Vooral als hij voor iets heel ergs gepakt is, zoals een straatroof en al helemaal als hij een agent geschopt en geslagen heeft. Het foute gedrag van die jongens wordt elke keer versterkt, door de manier waarop justitie werkt.”

„Er zit hier gewoon een heel grote groep criminele vaders. Deze factor wordt zelden genoemd in het verhaal”, zegt procesmanager van de gezinsbezoekers Mourad Taimounti van Stichting Aanpak Overlast Amsterdam. „Die criminele vader weet: misdaad loont heel erg in Nederland. Je verdient bakken met geld met de drugshandel en de pakkans is vrijwel nihil. Dat zijn de vaders die je in je gezicht uitlachen als je ze vertelt dat hun zoon zijn school moet afmaken.”

De ontkenning van deze feiten werkt verlammend en staat de oplossing van dit multiculturele drama in de weg.

Het binnenkort te verschijnen boek van Andersson Toussaint is geschreven in opdracht van de Stichting Politie en Wetenschap van de politieacademie. Op 11 juni is er in de Rode Hoed in Amsterdam een debat n.a.v. het boek, onder leiding van Felix Rottenberg.

    • Paul Andersson Toussaint