De postduif komt nooit terug

Als je begint te nummeren is er grote kans dat er op den duur iets te vieren valt, en dan, na zekere tijd volgt onherroepelijk de rouw. Dit zou de 1.500ste Overpeinzing zijn. Ik weet het niet. Iemand heeft, buiten mijn medeweten, 33 jaar en 46 weken geleden een 1 boven zo’n stukje gezet. Ik heb ze nooit geteld. Bij de 500ste kreeg ik van mijn vriend de tekenaar Frits Müller een mooi staatsieportret. Wat er bij de 1.000ste is gebeurd, kan ik me zo snel niet herinneren. Misschien is het een geweldige meevaller dat ik de 1.500 heb gehaald, misschien komen er nog 500 bij. Niet uitgesloten dat ik totaal digitaal ga. We zien wel.

Bij deze gelegenheid neem ik de vrijheid iets over ‘vroeger’ te schrijven – niet over de goeie ouwe tijd, maar over mijn vak, zoals dat er omstreeks 1980 uitzag, en vooral: welk geluid het maakte. Dat valt nog altijd een paar seconden per werkdag te horen in New York, om tien uur ’s ochtends. Dan begint op WQXR, the Classical Music Station of The New York Times, ‘The Office Hour’, met de eerste maten van The Typewriter, de compositie van Leroy Anderson. Het bestaat uit een snel tikken op een mechanische schrijfmachine, af en toe onderbroken door het gerinkel van een belletje. Dat was het teken dat je aan een nieuwe regel moest beginnen. Aan het begin van de nieuwe eeuw werd dit fragment vervangen door iets uit een eigentijdser compositie. Er volgde een storm van protest. The Typewriter werd in ere hersteld. Au fond zijn de Amerikanen een behoudend volk.

Ging ik op reis, dan altijd met mijn Hermes Baby, de kleinste draagbare schrijfmachine ter wereld. Woog een kilo of vijf. Stukje af. Doorbellen, naar wat ‘de steno’ werd genoemd. De stenografie, bestaat die nog? In ieder geval, de techniek stond niet stil, de elektronische schrijfmachine werd uitgevonden. Ik kocht een Canon die op vier dikke batterijen werkte. Wat een prachtig apparaat! En vederlicht. Ik voelde me in de voorhoede, deze Canon was mijn trots. Toen merkte ik dat aan de andere kant van het IJzeren Gordijn die batterijen niet te koop waren. Gelukkig had ik ook nog een ballpoint meegenomen.

De elektronische schrijfmachine valt te vergelijken met de gasverlichting in Londen: een paar jaar hypermodern en dan reddeloos achterhaald door de voortschrijdende techniek. Mijn eerste laptop was een Toshiba. Ik denk dat ik nu aan mijn zesde bezig ben. Ze kunnen steeds meer, ook allerlei dingen die je nooit zult gebruiken, het geheugen wordt groter, de draadloze verbindingen werken steeds beter. Van tijd tot tijd krijg ik het bericht dat ik een belangrijke Update moet installeren. ‘Schakel de computer niet uit, dat gaat na de installatie vanzelf.’ En verdomd, het gebeurt. Ik vertrouw alles en toch heb ik altijd het gevoel dat een anonymus opnieuw mijn huiskamer inricht: bank tegen de andere muur, schilderijtjes verhangen, enz.

De laptop heeft drie bezwaren. Als je geen expert ben, begrijp je niets van wat in dat plastic kastje gebeurt en je kunt dus ook niets repareren. Je bent voor je communicatie afhankelijk van systemen waarover je niets te zeggen hebt en die van de ene seconde op de andere ‘plat’ kunnen gaan. En begeef je je op het World Wide Web, dan kun je je blootstellen aan allerlei internationaal gespuis, hackers, spammers die voor hun plezier het inwendige van je computer vernielen of je van alles en nog wat willen verkopen dat je niet nodig hebt. Met de computer is er een nieuwe psychische aandoening ontstaan: computer rage. Tot het uiterste getergd door onbekende krachten slaat en stampt de gebruiker zijn gereedschap aan duizend stukken.

Zo gaat het met iedere grote technische sprong voorwaarts. Na verloop van niet zo lang ontdekt iemand dat de vinding ook op heel andere manieren te gebruiken is. Op het ogenblik zijn speciale Amerikaanse strijdkrachten in training om zich voor te bereiden op een cyberwar, las ik in de International Herald Tribune van afgelopen maandag. „De vijand overspoelt de e-mailserver”, roept een soldaat. „Blokkeer dat ding! Ik neem de verantwoordelijkheid.” Zo gaat het nog anderhalve kolom verder. Harde schijven raken in het ongerede, communicatie wordt onmogelijk, paniek dreigt. Binnenkort zien we de eerste cyberwars op de spelletjesmarkt. De postduiven komen nooit terug.

Hier laat ik het vandaag bij. Volgende week kom ik nog even terug op de rolkoffer, van vorige week, die misschien wel drie uitvinders heeft. Dat, lezers, heeft u me gemaild. Of dit de 1.500ste Overpeinzing is of niet, ik heb nooit over u te klagen gehad.