De menseningenieurs komen

De faculteit industrieel ontwerpen in Delft bestaat 40 jaar. Ze zijn daar de laatste jaren steeds minder in apparaten, en steeds meer in mensen geïnteresseerd. Warna Oosterbaan

Als de kamers in ziekenhuizen opeens vriendelijk en handig ingericht zijn, als ouderen straks ook aan het digitale tijdperk mee kunnen doen en als je in de trein op een schermpje kunt zien of je je aansluiting haalt, dan zou dat het gevolg kunnen zijn van een andere mentaliteit van de industrieel ontwerpers. Want in de opleiding tot dat vak wordt de laatste jaren veel meer aandacht besteed aan gebruikers, aan gewone mensen dus. “Ik vond het eerst maar aliens, die gebruikers”, zegt Sanne Kistemaker (26), in 2007 afgestudeerd als industrieel ontwerper aan de TU Delft. “En in de bachelorfase leerde je er ook niets over.” Maar toen ze in de masteropleiding in aanraking kwam met het op gebruikers gerichte ontwerpen ging haar een licht op. Nu verdient ze met haar bureau Muzus haar brood met ontwerpwerk waarin de inspiratie vooral van gebruikerservaringen komt. “Het voordeel is ook dat je zeker weet dat je ontwerp draagvlak heeft.”

De faculteit Industrieel Ontwerpen in Delft bestaat veertig jaar, en sinds kort waait daar een nieuwe wind. Het toverwoord is context mapping. “Dat is een methode”, zegt Froukje Sleeswijk Visser, “om gegevens te krijgen over de ervaringen van mensen in het alledaagse leven, ten behoeve van je ontwerpwerk.” De jonge ingenieur (33) promoveerde vorige week op een proefschrift over context mapping (Bringing the everyday life of people into design, Delft, 2009) en samen met haar promotores Pieter Jan Stappers en de Amerikaanse Liz Sanders introduceerde ze dit begrip in een paper uit 2005. Inmiddels is context mapping een gevleugeld woord in de ontwerpwereld.

EIGEN ERVARING

Het gaat daarbij niet om de gebruikelijke methode waarin een panel een prototype krijgt voorgeschoteld en daar dan een oordeel over mag geven. “Wij willen eerder in het proces zitten, gebruikers zijn de experts van hun eigen ervaring”, zegt Sleeswijk Visser. “Je moet bij hen zijn als je wilt weten waaraan ze behoefte hebben. Maar het is vaak impliciete kennis, je moet allerlei technieken toepassen om die kennis aan de oppervlakte te brengen en er iets tastbaars van te maken.”

In haar proefschrift wordt duidelijk hoe dat in zijn werk gaat: interviews met gebruikers, observatie van hun gedrag en allerlei vormen van spel en simulatie. Speciale aandacht is er voor ‘generatieve’ technieken als het laten maken van collages – methoden om de rijke informatie op te leveren waar het de ontwerpers om te doen is. “Je moet je inleven in de wereld van de gebruikers, het gaat om hun dromen, om hun latente behoeften. Die kom je niet op het spoor door daarnaar te vragen. En dan het is de taak van de ontwerper om de resultaten van dat onderzoek te analyseren en een oplossing te vinden. Dat kan een product, zijn, een dienst, of een bepaalde organisatievorm.”

Van dat laatste is het werk van Jonas Piet (30) een mooi voorbeeld. Hij studeerde in 2005 af en werkt nu voor het bureau Participle in Londen. Hij maakt geen koffiezetmachines, hij ontwerpt sociale netwerken en dat gaat gepaard met langdurig sociaal onderzoek. Om iets aan de eenzaamheid van ouderen te doen ontwierp zijn bureau een netwerk waarmee ouderen via de telefoon met elkaar contact houden. In een ander project werd een dienst opgezet voor kleine klusjes waaraan bejaarden behoefte hebben. “We proberen daarin te stimuleren dat ouderen elkaar helpen. De een kan nog wel op een ladder staan, de ander kan de administratie afhandelen. Onderlinge afhankelijkheid komt dan in de plaats van afhankelijkheid van de staat.”

SCHEERPATROON

Piets methoden zijn verwant aan die van antropologen en sociologen. Context mapping bedient zich daarnaast ook van allerlei sociaal-psychologische technieken. In haar boek geeft Sleeswijk Visser daar voorbeelden van. Voor een onderzoek naar nieuwe scheerapparaten werd nat- en droogscheerders gevraagd een dagboek over hun lichaamsverzorging bij te houden en vervolgens werden ze in groepsessies intensief ondervraagd over alle denkbare aspecten van hun scheerpatroon, wanneer ze het deden, hoe, waaraan ze dachten voor, tijdens en na het scheren. Die informatie werd vastgelegd op kaarten en daarmee gingen ontwerpers in lange praatsessies aan de slag. Dat één van de ondervraagden had gezegd dat hij zich gedachtenloos schoor en automatisch met zijn hand voelde of het resultaat wel glad genoeg was, leidde tot een experimenteel ontwerp voor een scheermesje dat in de holte van de hand werd gehouden, en waarmee de scheerder tegelijkertijd kan scheren en zijn huid aftasten.

Quiel Beekman, in 2008 afgestudeerd op de TU Delft: “Dat soort technische snufjes vond ik allemaal erg interessant, maar toen ik stage liep bij een huisvestingsproject in de zorg ontdekte ik dat voor een scheermesje veel meer aan belevingsonderzoek wordt gedaan dan voor een ziekenhuis dat tientallen miljoenen kost.” Ze liet het er niet bij zitten, en vond bij bureau 4Building de mogelijkheden om van gewone werkvloerervaringen gebruik te maken. “Je moet veel meelopen, het vertrouwen winnen van verpleegkundigen en artsen, ze duidelijk maken dat je naar ze luistert.” Dan kom je bijvoorbeeld te weten dat een zeepbakje in een doucheruimte niet in de zijwand moet zitten. “Een patiënt met een operatiewond kan zich niet half omdraaien. Verpleegkundigen weten dat, architecten niet.”

Dat was ook de ervaring van een van de pioniers van het human centered design, de Amerikaanse psycholoog Liz Sanders. Op een congres dat de faculteit vorige week organiseerde, vertelde ze over haar werk voor een nog te bouwen ziekenhuis voor oorlogsveteranen in New Orleans. Ze liet verpleegkundigen en patiënten met poppenhuismeubels en tekeningen de ideale ziekenhuiskamer maken, en distilleerde daaruit wat ze belangrijk vonden: privacy, een plek om je handen te wassen. “En toiletten. Architecten vinden toiletten een detail. Patiënten vinden ze cruciaal. Ze moeten vooral niet te ver weg zijn.”

    • Warna Oosterbaan