Belastingverhoging is goedkoper dan een revolutie

De internationale belegger en speculant Louis Reijtenbagh werd een paar maanden geleden door de Zwitserse bank Crédit Suisse in het openbaar beschuldigd van „schaamteloze oplichting”. Dat is gepeperde taal, zeker voor bankiers, die meestal hun best doen zich zo kleurloos mogelijk uit te drukken. Zij waren dan ook duidelijk ontstemd. 700 miljoen dollar had Reijtenbagh van hen geleend, zeiden zij, en daarvan zou hij ten minste 340 miljoen hebben verduisterd.

Hoe spectaculair het ook klinkt, het is kruimelwerk vergeleken met het duizelingwekkende bedrag van vijftig miljard dollar dat Bernard Madoff heeft laten verdwijnen. Vermogende particulieren en beleggers stonden in de rij voor het voorrecht hun geld aan hem toe te vertrouwen. Voor een geselecteerd aantal fortuinlijken was hij daar wel toe bereid, en hij heeft hun geld goed weggezet. Zo goed dat ze er nooit meer bij kunnen. Het is weg.

Het levert een besmuikt soort leedvermaak op als financiële hoogvliegers als Zwitserse banken en Hollywoodsterren door slimme of charmante schurken worden uitgekleed. Het is het Robin Hood-effect, behalve dat hij stal van de rijken om te geven aan de armen. Stelen van de rijken op zich levert kennelijk ook al goed vermaak op.

Een ander verhaal wordt het wanneer niet de rijken worden bestolen, maar de gewone man. Dat is vermoedelijk gebeurd bij het Philips Pensioenfonds, waar ex-bestuurders misbruik hebben gemaakt van hun vertrouwenspositie door ten eigen bate handlangers en stromannen tussen allerlei vastgoedtransacties te plaatsen. Zo kocht het fonds steeds te duur en verkocht het te goedkoop, waardoor indirect duizenden pensioendeelnemers voor tientallen miljoenen zijn bestolen. Als het waar is – de zaak wordt nog door justitie onderzocht – zal hier geen Robin Hood-applaus voor volgen.

Hier zijn het geen grote instellingen of rijke particulieren die zich vrijwillig in de luren hebben laten leggen en beter hadden moeten weten. Dit zijn huidige of vroegere Philips-medewerkers, die verplicht meededen in een collectieve voorziening, daar geen keuze in hadden en er dus op mochten rekenen dat hun belangen beschermd zouden worden. Van Madoff kun je nog zeggen dat hij als een fraudeartiest gebruikmaakte van vertrouwen dat zijn slachtoffers hem vrijwillig hadden gegeven. De Philips-medewerkers hebben die fout niet gemaakt. Zij hadden geen keuze of verweer terwijl zij werden geplukt.

Er is steeds meer irritatie ontstaan in de verhouding tussen rijk en arm, of tussen rijk en niet-zo-rijk, zelfs wanneer het gaat om rijkdom die eerlijk verdiend is. In de jaren dat het ons allemaal voor de wind ging, konden we ons wel verbazen over de enorme bedragen die sommige bestuurders van ondernemingen, banken en private-equityfondsen mee naar huis namen, maar er viel mee te leven. Ons eigen deel van de koek bleef immers even groot, ook al slonk het relatieve aandeel. Maar dat is nu aan het veranderen.

Volgens een reportage in het Britse weekblad The Economist behoort dankzij de sterke welvaartstoename van de laatste decennia, voor het eerst in de geschiedenis meer dan de helft van de wereldbevolking tot de economische middenklasse. Dat betekent in de praktijk dat de mensen meer middelen ter beschikking hebben dan wat nodig is voor het blote overleven. Ze kunnen iets opzij leggen, sparen, en zo gaan denken aan dingen als woningverbetering en onderwijs voor de kinderen. Kortom, er ontstaat een toekomstbeeld en ruimte om plannen te maken.

Revoluties ontstaan niet doordat arme mensen het arm hebben. Zij ontstaan wanneer mensen even hebben kunnen proeven van een beter leven en dat vervolgens weer moeten opgeven. Dat geldt op de overgang van diepe armoede naar een middenklassebestaan, het geldt ook binnen de middenklasse zelf. Als iemand zich eenmaal een vliegvakantie naar Turkije heeft kunnen veroorloven en noodgedwongen terug moet naar de camping in Garderen, is dat niet goed voor zijn humeur. Als hij dan bij voorbaat al leefde in een kortaangebonden en emotioneel onstabiel landje als Nederland, moet hij er niet ook nog een keer overheen krijgen dat anderen gewoon blijven doorfeesten op hun champagneparty’s. En al helemaal niet als het geld voor de champagne is ontvreemd uit zijn eigen pensioenfonds dat daardoor met een te lage dekkingsgraad zit.

Een tijdje geleden al pleitte CNV-voorzitter Paas ervoor het belastingtarief voor inkomens boven de Balkenendenorm te verhogen van 52 naar 60 procent . Een pleidooi dat vorige week werd herhaald door ChristenUnie-senator Schuurman. Hij wil alleen de verhoging tijdelijk maken, en noemt het een crisistaks. Natuurlijk zit niemand te springen om een belastingverhoging, zeker niet in de hogere inkomensklassen, waar het het hardst aantikt.

Daar staat tegenover dat een revolutie heel veel meer kost – vraag het de Franse elite die in 1789 al zijn bezit kwijtraakte, en de Russische die in 1917 hetzelfde overkwam. Dat is een belasting, niet op inkomen maar op vermogen, van 100 procent. Daar hebben we het hier nog lang niet over, en het is verstandig het ook niet zo ver te laten komen. Zelfs de dreiging van onrust kan al flink in de papieren lopen. Een team beveiligingspersoneel is gauw veel duurder dan een paar procenten extra inkomstenbelasting.

Er is een serieuze kans dat het leven aan de sociaal-economische onderkant van onze samenleving de komende jaren behoorlijk zwaar wordt. Dan moet er niet een paar kilometer verderop uitdagend feest worden gevierd. Als het al niet een kwestie van maatschappelijk besef is, dan is het nog steeds gezond verstand. Excessieve rijkdom is even niet zo handig om mee te koop te lopen, zelfs wanneer het eerlijk is verdiend. Het wordt uitdelen, à la Robin Hood, of verborgen houden. Of misschien iets er tussenin, op de manier van Paas en Schuurman.