Aan de laffe kant van de brug

We hadden al een dakloze. Maar Reginald was anders. Hij rook naar bloemetjes.

De bomen zijn al zwaar van bladeren en de ochtend warmt dampend op. Connecticut Avenue, bij mij om de hoek. Ik loop er dagelijks. Dit wordt een zomer zonder Reginald Harrington op de betonnen bank, op de brug met het smeedijzer en de lantaarns.

Hij ontmaskerde mijn goede wil en die van mijn welvarende, blanke buurtgenoten. Zo begon het: het zonlicht viel gefilterd op zijn gezicht en borst. Hij lag daar plotseling, ontspannen, de benen languit over elkaar. Eén arm onder zijn hoofd, de andere op zijn buik. Daar hield hij een kartonnen beker vast.

Reginald Harrington was meteen iemand om aan te kijken, in plaats van je hoofd weg te draaien, en hij keek terug. Een grote, goed geklede zwarte man die van de zon genoot en de blanke passanten lief gadesloeg. Een knikje. Een glimlach die weken aanhield. Al die tijd zei of vroeg hij niets.

We hadden al een dakloze, een stukje verderop, in het portiek naast de kostbare Firehook Bakery. Die vraagt, altijd klaaglijk: „Change, puh-lease?” Daarna koopt hij binnen dure koffie met koek.

Reginald was anders. Zo zou ik ontdekken dat hij lekker ruikt. En je moest wat overwinnen om de eerste dollar in die papieren beker van hem te stoppen. Was dat wel de bedoeling?

„Mag ik?”, vroeg ik dus maar.

Weer een glimlach. Deze beloofde dat we evengoed vrienden zouden kunnen worden als ik niets gaf.

Daarna ging het snel. Hij kwam overeind. We wisselden namen uit. We groetten voortaan hardop.

Het werd winter. Hij verdween naar een shelter.

De volgende zomer keerde hij terug. We praatten langer, zij het over niets. Het weer. Hij was leuk tegen mijn kinderen.

Tegen de herfst begon mijn zoon, toen zes, mij kruisverhoren af te nemen. Moeilijke vragen.

Waarom geef jij Reggie altijd wat en die ander bijna nooit?

Hoe weet jij eigenlijk dat die ander minder nodig heeft?

Waarom mag Reggie dan niet bij ons wonen?

We hadden het toen vaker over de andere, zwarte kant van de stad. We zaten midden in de verkiezingscampagne, de maanden van Obama-euforie. Reginald voer daar wel bij. Iedereen wilde goed doen. Met hem praten. Nu lees je hier in de krant hoe de Washingtonse society zich in bochten wringt om aan zwarte vrienden te komen. Zonder kun je met goed fatsoen geen etentje meer organiseren. Ongeveer zo werd Reginald, onze nobele dakloze, de mascotte van de buurt. De belichaming van ons sociaal besef. Ja, in het najaar van 2008 kon je altijd mensen rond Reginald aantreffen, wapperend met biljetten, gretig plaatsnemend op zijn bank. Het was dringen. Galant stelde Reginald zijn diverse weldoeners aan elkaar voor.

Obama was al president toen Reginald niet goed meer kon ophouden met praten. Het was nu wel duidelijk dat er in zijn hoofd iets haperde. Hij verschool zich soms in een slaapzak. Dollarbiljetten genoeg in zijn beker, maar hij leek er niet veel mee te kunnen. Hij kreeg het uiterlijk waarmee je winkels wordt uitgekeken.

Hij vroeg weinig, maar soms vroeg ik wat hij nodig had. Handschoenen, een telefoonkaart, ondergoed. Altijd schoon ondergoed, zijn hygiëne was een erekwestie. Doucheschuim gingen we samen voor hem kopen, hij wilde me laten zien welk merk het lekkerst rook. Hij omhelsde me daarna voortaan: ruik je? Een beren-hug met bloemetjeslucht.

Obama was net president toen mensen Reginald al begonnen te ontwijken.

Eén man hield vol. Washington heeft een goed programma om daklozen aan huisvesting te helpen. Deze man bracht Reginald naar alle instanties en hielp hem het papierwerk in te vullen.

Ik begon ook om te lopen, via de andere kant van de brug.

„Ik denk dat jij heel graag kookt”, zei Reginald namelijk steeds vaker.

Weinig is minder waar, maar daar ging het niet om.

Ik wist wat hij nu wilde. Worden uitgenodigd. Gewoon aan een tafel zitten, met een familie en gestampte aardappels.

Ik heb de man die volhield, nog wel gevraagd of het kon. Hij heeft het me afgeraden, me ingelicht over een ziekte die onberekenbaar maakt. Ik was, tot mijn schaamte, opgelucht.

De beren-hug, waarmee ik in de buurt goede sier maakte, begon te knellen. Ik kocht ondergoed en doucheschuim en telefoonkaarten om niet te hoeven geven wat hij het meeste nodig had.

Zo kwam de laatste dag dat ik hem zag. Ik liep al aan de laffe kant van de brug, toen ik Reginald aan de overzijde zag opspringen en wenken.

Ik stak over. Hij liet me zijn nieuwe huurcontract zien. Een eenkamerwoning op Minnesota Avenue, aan de andere kant van de stad. Volledig gesubsidieerd.

Naast hem lag een splinternieuw dekbed. Cadeautje uit de buurt, om het te vieren.

Ik feliciteerde hem. Hij was wanhopig.

Nu heb ik een huis, zei hij, maar ik ken daar niemand en ik kan niet zonder vrienden.

    • Margriet Oostveen