Tegen het grote uitwissen

Getuigenissen, een biografie, een mentaliteitsgeschiedenis – Wie schrijft onze geschiedenis van historicus Samuel Kassow is heel veel boeken ineen.

Straat in Nalewski, het hart van de Joodse buurt in Warschau, 1938 Foto Roman Vishniac

Samuel D. Kassow: Wie schrijft onze geschiedenis. Het dramatische verhaal van het verborgen archief uit het getto van Warschau. Vertaald door Miebeth van Horn. Balans, 632 blz. €35,-

Opgesloten door de nazi’s in het getto van Warschau, omringd door honger, dood en verderf, besluit een groep Poolse Joden verzet te plegen. Niet met wapens, maar door hun bedreigde wereld in kaart te brengen. Duizendpoot Emanuel Ringelblum is de gedreven leider van deze verzetsgroep die zich De Vreugde van de Sabbat (Oneg Sjabbat) noemt, omdat de harde kern op zaterdagmiddag vergadert. Wat leggen ze vast? Alles. Zoveel mogelijk. Ringelblum en de zijnen willen de enorme diversiteit van het Pools-Joodse leven bewaren. Ze delen vragenlijsten uit, maken dagboekaantekeningen, schrijven essays, verzamelen foto’s, advertenties, menu’s, snoeppapiertjes.

Oneg Sjabbat begint in de hoop dat hun werk na de oorlog het fundament zal zijn van gerechtigheid voor een zelfbewuste Pools-Joodse gemeenschap. Maar halverwege 1941 begint het besef door te dringen dat er van die gemeenschap weinig meer over zal blijven. In januari 1942 komt een man in het getto aan. Hij is uit het vernietigingskamp Chelmno ontsnapt, en vertelt van de gruwelen.

Oneg Sjabbat legt het nieuws niet alleen vast, maar smokkelt het ook naar buiten via het Poolse verzet. Het archief wordt op verschillende plekken begraven. Op 19 april 1943 begint de grote opstand van het gewapend verzet in het getto. Pas na een maand is het verzet gebroken. Driekwart van het getto gaat in vlammen op. Slechts enkele van de ongeveer vijftig leden en medewerkers van Oneg Sjabbat overleven de oorlog.

Het boek van de Amerikaanse historicus Samuel Kassow over Oneg Sjabbat begint in september 1946, als twee van die overlevenden in de ruïnes van Warschau naar hun archief spitten. Tien van de begraven blikken met documenten worden al snel gevonden. De schat is beschadigd: de inkt is uitgelopen en de documenten zijn beschimmeld. In december 1950 wordt nog een deel gevonden. Deze documenten, in aluminium melkbussen verstopt, zijn beter bewaard gebleven. Een derde deel wordt verloren gewaand, nadat Poolse archeologen in 2003 zelfs onder de Chinese ambassade in Warschau gegraven hadden. Maar een maand geleden meldde de Israëlische krant Ha’aretz dat ook dit deel boven water is: de documenten uit de laatste dagen van het getto lagen in het archief van een Israëlisch verzetsmuseum. Ze zaten tussen de papieren van verzetsman Adolf Berman, vriend en steunpilaar van Ringelblum. Maar ze waren in een code geschreven, die nu pas gekraakt is. Het mysterieuze, summiere bericht heeft nog geen vervolg gekregen.

Wie schrijft onze geschiedenis is heel veel boeken in één. Het is een verzameling beklemmende en soms vrolijke getuigenverslagen uit het getto van Warschau. Het is een analyse van het getto, waar bijna een half miljoen mensen op elkaar gepropt was. Het is het verhaal van een groep mensen die zich verzette tegen dit dierlijke bestaan. Het is een zorgvuldige beschrijving van de manier waarop ze te werk gingen. Bovenal is het een biografie van de drijvende kracht achter die groep, Emanuel Ringelblum (1900-1944). Kassows Ringelblum was vóór alles een man met een missie: hij wilde de arme Poolse Joden emanciperen. Te veel had de geschiedschrijving over de Joden zich geconcentreerd op de rabbijnen en seculiere Joodse leiders. Het verzamelen van materiaal over het gewone Joodse leven moest nú beginnen.

Herinneringen aan Ringelblum van mensen die hem gekend hebben, botsen met elkaar. Kassow verbergt dat op geen enkele manier. Ringelblum was een gedreven historicus, welzijnswerker én politiek activist. Hij was een overtuigd marxist, maar overwegend nuchter in zijn historische werk. Ringelblum was een workaholic, een man die onvermoeibaar in de meest uiteenlopende organisaties, commissies en redacties plaatsnam en als een bezetene schreef.

Het liefst bemoeide hij zich overal tegenaan. Was hij net lid geworden van het nieuwe Yidisher Visnshaftlekher Institut (YIVO), ging hij alweer vrolijk aan de slag om, zonder overleg met de organisatie, een lokale afdeling op poten te zetten. Zoveel initiatief werd niet altijd op prijs gesteld. Wist hij zich volgens sommige mensen overal belangrijk en onmisbaar te maken, anderen vonden Ringelblum een hielenlikker, een saaie zeurkous, een onruststoker. Kassow benadrukt ook de rebelse kant van de organisatie Oneg Sjabbat, die zich verzette tegen de Joodse bestuurders van het getto. Hij haalt de outsiderkantjes van de prominente leden naar voren: de morele rechtlijnigheid van de handelaar Menakhem Mendel Kon en de socialistische sympathieën van de rijke zakenman Shmuel Winter.

Kassows oog voor de troebele, vaak tegenstrijdige werkelijkheid maakt het boek bijzonder. Eveneens is het hem gelukt om de tragische gebeurtenissen voor zichzelf te laten spreken, zonder het larmoyante waar geschiedschrijving over dit onderwerp vaak in vervalt.

Ringelblum vond zijn bestemming in de dramatische tijd van het getto, maar de overtuigingen die hij daar uitdroeg waren al eerder gevormd. In het eerste deel van het boek beschrijft Kassow welke mensen Ringelblum maakten tot wie hij was.

Dit is het belangrijkste, maar ook het taaiste deel, zeker voor de lezer die niet bekend is met de geschiedenis van linkse, Poolse Joden in het interbellum. Het marxistisch jargon en sommige Jiddische of Poolse woorden vragen om meer of eerdere uitleg, net als een deel van de grotere historische context: de Poolse staatsvorming, de Poolse economische boycot van de Joden, of het geopolitieke spel waar de Galicische Joden zo onder leden.

Ringelblums persoonlijke missie om de Joodse massa via hun geschiedenis te verheffen, zou met een paar zinnen in de Europese context geplaatst kunnen worden, een heel continent waarin alles broeide en bruiste, verheven en gemoderniseerd moest worden.

Kassow wekt grote persoonlijkheden tot leven, die met een adembenemende energie en burgerzin ruziën over waar het allemaal heen moet. Zijn Joden historisch gezien een natie of een volk, hoe verhouden ze zich tot de landen waar ze in wonen, kunnen ze meer burgerrechten afdwingen als ze het eens worden over een gemeenschappelijke taal? Geschiedenis was een argument in een heftige discussie en Ringelblum nam een ingewikkeld standpunt in. Hij was een trotse Jood, maar ook een trotse Pool, geloofde als zionist in een ‘Joods nationaal tehuis’, maar streed ondertussen voor de Jiddische cultuur van zijn hoek van de diaspora.

Kassow laat de lezer af en toe vergeten welk noodlot deze mensen boven het hoofd hangt. Daarin is het boek een waar eerbetoon aan Ringelblum. ‘Tegenover het zich voltrekkende onheil zette hij zich des te meer in om het ‘Nu’ en het ‘Voorheen’ te bewaren,’ schrijft Kassow, ‘om te voorkomen dat het latere etiket van ‘slachtoffer’ het zicht zou benemen op wie de Joden voor de oorlog waren geweest.’

De politieke breuklijnen die door Ringelblums werk en leven liepen, bepaalden het lot van zijn archief: de tot in het getto doorgevoerde strijd over Jiddisch versus Hebreeuws als de Joodse lingua franca, de verschillende ideeën over het zionisme versus het ideaal van assimilatie, links versus links versus rechts. Het zwaartepunt van de discussies veranderde, maar ze verdwenen niet.

Lang werd het archief van Oneg Sjabbat en Ringelblum gegijzeld door de politieke belangen van de poortwachters. Wijlen Raul Hilberg, auteur van het standaardwerk The Destruction of The European Jews uit 1961, vertelt in zijn memoires dat de Amerikaan Jacob Sloan noch in Warschau noch in Jeruzalem toegang kreeg tot het complete dagboek van Ringelblum, toen hij dat in 1958 wilde publiceren. Hij moest zich behelpen met een gekuiste pro-communistische versie die door het Joods Historisch Instituut in Warschau (ZIH) was uitgegeven. De politieke betekenis van het archief werd onderstreept toen Lech Walesa bij zijn eerste presidentiële bezoek aan de Verenigde Staten in 1991, kopieën van het archief meebracht als geschenk voor het pas opgerichte US Holocaust Memorial Museum (USHMM), dat er zo de derde poortwachter van werd.

De tegenstrijdige Ringelblum bleek divers inzetbaar. Voor het ZIH van de Koude Oorlog was hij met nadruk Pools-Joods. Het Israëlische Yad Vashem wilde het ‘universeel’ Joodse deel van zijn identiteit benadrukken en schoof de stekelige Jiddisch-Poolse kantjes opzij. De strijd is nog niet helemaal gestreden. Het ZIH noemt zich sinds dit jaar het ‘Emanuel Ringelblum Joods Historisch Instituut’. Yad Vashem vertaalde een onlangs ontdekte correspondentie tussen Ringelblum en zijn vrouw alleen in het Hebreeuws. Eén van Kassows grote verdiensten is dat hij de vele publicaties over Ringelblum en Oneg Sjabbat in het Jiddisch, Pools en Hebreeuws bij elkaar brengt voor mensen die deze talen niet machtig zijn.

Hoe zou Ringelblum zelf tegenover al dit gehannes met zijn nalatenschap hebben gestaan? Hij was vast zo’n hypere, hoogbejaarde Holocaust-overlevende geweest. Als Emanuel Ringelbum nog had geleefd, zou hij allang genoeg geld bijeen hebben gebracht om het hele archief in verschillende talen online te zetten, voor iedereen die het maar lezen wilde.

Bekijk een stukje van het Oneg Sjabbat archief via nrcboeken.nl