Teder maar schrijnend hard

De Oostenrijkse kunstenares Maria Lassnig, nu bijna 90, kreeg pas laat succes met haar sterk lichamelijke zelfportretten. Vooral haar tekeningen zijn aangrijpend.

Maria Lassnig in 2008 voor haar doek Das neunte Jahrzehnt Foto Sepp Dreissinger / Museum Moderner Kunst Stiftung Ludwig Wien Museum Moderner Kunst Stiftung Ludwig Wien

De ouders buigen zich naar het baby-meisje in de wieg en dromen over haar toekomst. Ze wensen het kind schoonheid toe en gezondheid, een helder verstand, een leven vol welvaart. Ze hopen dat het meisje later een man zal vinden die lief en zorgzaam is, die ook van haar houdt als de jaren gaan tellen, haar haren grijs worden en haar vel gaat lubberen. Ze dromen over méér kinderen. Dat het meisje in de wieg ook zelf moeder wordt. Een moeder die zingend in de pannen roert, opgewekt de bedden opmaakt, onvermoeibaar snotneuzen afveegt – een moeder aan wie ongeluk voorbijgaat.

De Oostenrijkse kunstenaar Maria Lassnig (1919) heeft het zelf nooit meegemaakt – twee ouders, kinderen, gedroom aan een wieg. Daarom misschien pakt ze in 2002, op drieëntachtigjarige leeftijd, een blad papier, een tube waterverf, een potlood en tekent een koppel dat in verbijstering staart naar iets dat aan hun knieën kronkelt. Dat iets is een felroze propje met twee slurfjes eraan. Dat iets is een vreemd nieuw wezen, een larfje, een mislukt muizenjong, een prop roze klapkauwgom op de stoep. Hoeveel geluk kan zo’n propje bevatten?

Lassnig kiest een kleur voor de achtergrond. Die kleur is niet babyblauw, zachtgeel of lichtroze. Te veel poezeligheid zou de blik alleen maar vertroebelen, zoals de wazige kleuren op de schilderijen van Turner of Monet de blik vertroebelen. Ze kiest voor citroengeel – een harde, heldere tint waartegen haar potloodstrepen afsteken als schrikdraad. Binnen die potloodstreep – de contouren van twee figuren – grijpt het wit om zich heen, onopgevuld, onaangeraakt. Dát zijn de ouders: twee wolken witte hoop.

Een echtpaar dat hun kind bestudeert hangt aan het begin van de tentoonstelling Im Möglichkeitsspiegel, een groot overzicht in het Ludwig Museum in Keulen met werken op papier en tekenfilms die Lassnig de afgelopen zestig jaar maakte. De tekening, gemaakt in 2002, springt in het oog om een aantal redenen. Ze is groot maar subtiel. Ze is teder, maar ook schrijnend hard. Ze is intiem, op het claustrofobische af. Ze is liefdevol – want de ouders zijn met elkaar verbonden, hun hoofden zijn zelfs aan elkaar gekleefd. Maar armen en handen om te strelen, aan te raken, te koesteren en te liefkozen – die hebben de ouders niet. Het vreemde vogeltje aan hun knieën spartelt heel alleen in het citroengeel rond.

Maria Lassnig is één van die weinige

mirakels van de twintigste eeuw die met een nog even vogelvrije geest als vijftig jaar geleden voortleeft in de éénentwintigste. In september van dit jaar wordt de oude dame negentig en om deze mijlpaal te vieren, organiseren twee grote musea tentoonstellingen rondom haar werk. Het Museum voor Moderne Kunst in Wenen bracht de tamelijk bekende schilderijen bij elkaar gebracht die ze de afgelopen tien jaar heeft gemaakt. Museum Ludwig in Keulen waagt zich aan het onbekende werk – de tekeningen, aquarellen en gouaches. Dit werk is een grootse ontdekking.

Net als Lassnigs schilderijen zijn de werken op papier geconcipieerd als zelfstandige kunstwerken. Geen voorstudies dus. Iedere tekening, zegt Lassnig in de catalogus, is een ‘verhinderd schilderij’. Waarmee ze bedoelt dat ze nooit een schilderij zal maken van wat ze eerder op papier heeft gezet. Zo’n schilderij mag niet bestaan, heeft geen noodzaak om te bestaan. Omdat herhaling en routine de dood zijn voor de kunst.

In Keulen begint de tentoonstelling in het monumentale trappenhuis op de eerste verdieping. Daar hangen de meest recente tekeningen en gouaches – veel op een blauwe, groene, rode of gele ondergrond getekend. Grote, plompe, fragiele, fabelachtige wezens staren langs je heen, naar elkaar, ze bewegen in de leegte, klampen zich aan hun eigen arm vast, zitten versteend naast elkaar op een boomtak, of dromen zomaar wat weg in het groen. Je herkent een hand of een elleboog, een gezicht vertrokken tot een schreeuw, een voet die een andere voet aanraakt. „Er zijn te weinig woorden”, zei Maria Lassnig weleens, „en daarom schilder ik. Er zijn gevoelens in het lichaam, waarvoor men nog helemaal geen uitdrukking heeft gevonden.” En zo sta je gebiologeerd, tussen al die grote werken uit de collectie van het Ludwig, tussen de Picasso’s, de meesterwerken van Malevitsj, de Mondriaans, de Richters. Om de hoek liggen ze te lonken, maar alles wat je wilt is alleen maar Maria Lassnig.

Vanaf de centrale hal vertakt de tentoonstelling zich over een tiental zalen. In de eerste zaal spring je terug in de tijd. Vlak na de oorlog kom je terecht. Lassnig heeft Wenen verlaten en is samen met de tien jaar jongere schilder Arnulf Rainer naar Parijs getrokken. Ze ontmoet de voorman van het surrealisme André Breton en tekent haar eerste zelfportret. Het zal er één worden van vele. En die vele zullen niet zijn wat je ervan verwacht.

Op het surrealistische Zelfportret met citroen uit 1949 staat een bizar harmonicawezentje. Deze kruising tussen mens, dier en apparaat heeft vier benen, waarvan er twee groeien uit iets dat lijkt op een hersenhelft. Het lichaam daartussen is gevouwen en verknipt, alsof de onderdelen voortdurend aan het stoelendansen zijn. Het raarst is nog wel de citroen, die is vastgegroeid aan een neus.

Het surrealisme is echter op z’n retour. De informele schilderkunst, het tachisme, de schilderkunst ‘zonder stijl’ maakt zijn opgang, en Lassnig experimenteert mee. In de jaren vijftig zweven abstractere vormen haar tekenblad binnen. Ook deze noemt ze zelfportretten. Ze tekent zichzelf bijvoorbeeld als brievenbus. De tekening bestaat uit harde, diagonale lijnen en heeft geen enkele herkenbare menselijke vorm, behalve, inderdaad, een gevoel dat moeizaam onder woorden te brengen is: het gevoel een brievenbus te zijn. Ook tekent ze zichzelf als vette fallus, als deegbal, als ‘kont zonder wereld’.

Kunsthistorici zeggen later dat ze met deze werken vol fragiele, bibberende lijnen de spierballentaal van haar mannelijke collega’s wil ironiseren. Dat ze grappen wil maken om het machogeweld van haar Oostenrijkse collega’s Rainer en Nitsch, en om de Duitse staalmeesters Richter, Kiefer, Polke, die succes hebben, hun werk tentoonstellen, aanstellingen krijgen op academies. Het kan, want als er iets is wat Maria Lassnig niet heeft, dan is het erkenning, succes.

Wat doe je dan?

„Niets verdonkeremanen”, zegt ze tegen zichzelf. In 1951 noteert ze in haar dagboek: „Hongerig zijn, remmingen hebben, alle beelden kunnen vergeten. Het beeld is nevenzaak (tijdens het schilderen niet kijken!). De stijl verwerpen (-). Schilderen en tekenen als ademstoten, terwijl het leven me wurgt.”

Weinig in het leven van Lassnig

gaat zoals je hoopt dat het je kind vergaat. Om te beginnen is het meisje niet gepland. Ze wordt geboren in 1919, in een klein dorpje in Heimat-ziek Karinthië. Haar moeder is ongehuwd, het gezin straatarm. Mooi is het kind niet, eerder plomp. Een eigen wil lijkt ze niet te hebben. Op tachtigjarige leeftijd vergelijkt ze zichzelf, terugblikkend, met een kalf dat zich nu eens de ene, dan weer de andere stal laat indrijven. Haar moeder hoopt vurig dat ze zal trouwen, maar relaties lopen stuk. Kinderen krijgt ze niet. Zonder enige passie studeert ze voor lerares. „Tekenen”, zegt iemand op zeker moment tegen haar. „Je kon toch altijd goed tekenen?” En dus gaat ze in de oorlog naar de kunstacademie in Wenen. Ze wordt er al na twee jaar afgestuurd – omdat haar werk niet strookt met de door de nationaal-socialisten gedicteerde stijl.

In Parijs, waar niemand haar kent, niemand haar werk ziet zitten en ze niets verkoopt, leeft ze op de rand van de bedelstaf. In 1968 geeft de zwaarmoedige Roemeense dichter Paul Celan haar advies. „Je moet naar New York gaan”, zegt hij. „Daar zijn ze aardiger voor vrouwen.” En zo breekt ze haar boeltje op en vertrekt hoopvol naar New York. Ze is dan vijftig jaar oud – een leeftijd waarop anderen oogsten, hypotheken aflossen, de kinderen net het huis uit hebben.

In New York, waar ze tot 1978 blijft, lijdt ze honger – jarenlang – en leeft ze in eenzaamheid. „Ik had inderdaad weinig om op te kauwen”, zegt ze in 1999 luchtig en wars van dramatiek tegen een Oostenrijkse journalist. „Nee hoor, het is nergens gemakkelijk met mij gegaan. Ook niet in New York.” En dan, verbaasd haast: „Maar mijn god, wat heb ik een flegma.”

Toch is flegma niet het eerste wat je te binnen schiet als je over de tentoonstelling in Keulen loopt: uit het werk spreekt eerder een enorme wilskracht, een fijngevoeligheid voor de moderne condition humaine. In New York ontwikkelt ze in de luwte van het abstract-expressionisme en de pop-art haar eigen half-abstracte, half-figuratieve stijl. En vanaf 1980, als ze terugkeert naar Oostenrijk, begint ze eindelijk waardering te oogsten. Op een leeftijd dat anderen met pensioen gaan, mag Lassnig haar land vertegenwoordigen op de Biennale van Venetië en krijgt ze een professoraat aan de Hochschule für angewandte Kunst in Wenen. Haar schilderijen worden gevraagd en verkocht. Ze krijgt prijzen en tentoonstellingen. Tegenwoordig is ze de best verkopende kunstenares van Oostenrijk.

Maria Lassnigs onderwerpen

zijn simpel in woorden te vangen – zichzelf, mannen en vrouwen, ouders en hun kind, broers. Körperbewusstseinsbilder noemt Lassnig haar zelfportretten. Het zijn portretten van de manier waarop ze haar lichaam ervaart. Hoe voelt mijn heup als ik zit? Waarom voelt het vandaag alsof mijn neus kolossaal groot is? Waarom hangen mijn oren zo? Hoe beeld ik het verlangen naar een kind uit, naar een geliefde? En welk beeld veroorzaakt het geluid van m’n stofzuiger in mijn hoofd?

In het Ludwig komt Maria Lassnig als kinderstoel voorbij, als fluitketel, heup of als twee neuzen. „Net als Cézanne een onderzoek deed van vlek naar vlek”, zegt ze op haar tachtigste, „zo heb ik ontdekt dat ik het onderzoek van mijn eigen lichaam het moeilijkste vind. Die moeilijkheid zoek ik.”

Tekenen doet ze daarom vaak met haar ogen dicht. „Ik denk dat er al een beeld in me zit voordat ik het teken”, zegt ze in de catalogus. „Misschien is het meer het idee van een beeld, rond of rechthoekig of wat dan ook. Ik werk aan een vorm die aan dat idee tegemoet komt, hoewel dat feitelijk onmogelijk is: het blijft maar wegglijden van de ene naar de andere seconde.”

Misschien maakt dat het werk op papier van Maria Lassnig zo aangrijpend. Het zijn flinterlichte momentopnames – veel meer dan de olieverfschilderijen. En in die momentopnames zoekt en grijpt Lassnig op haar hevigst. In haar tekeningen kan een abstracte lijn een gevoel van desolaatheid oproepen dat veel dieper gaat dan de desolaatheid die je ervaart in je eentje op zee, in een woestijn of een koortsdroom. In haar tekeningen kunnen een als een wilg geknotte arm of een gebogen nek een schrijnend gemis en verlangen uitdrukken naar dat simpele concept van de twee en de drie: vader, moeder, het kind, man en vrouw, twee geliefden. Intimiteit – een van haar mooiste werken uit de late jaren zestig – is een perspectivisch vervormd raadsel met wezens die zowel aan de muur kleven als in een hoek zitten. De kunstenaar tast in het rond, nog steeds zo hard als vroeger – en de kijker tast met haar mee.

Maria Lassnig – Im Möglichkeitsspiegel. T/m 14 juni, Museum Ludwig, Heinrich-Böll-Platz, Keulen. Di t/m zo 10-18u. Catalogus: 39,80. Inl. www.museumludwig.de. Maria Lassnigs dagboeken uit de jaren 1947 tot 1997 zijn in 1997 bewerkt door Hans Ulrich Obrist en verschenen onder de titel: ‘Die Feder ist die Schwester des Pinsels’ (uitgeverij Dumo).

    • Lucette ter Borg