Stormachtig debuut van Dudamel bij het KCO

Klassiek Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Gustavo Dudamel . Gehoord: 20/5 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 22/5. Radio 4: 7/6 14.15 uur (opn. 22/5). * * * * *

Gustavo Dudamel (28) maakte woensdagavond het opvallendste en opwindendste dirigentendebuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest sinds vele decennia. Het publiek was laaiend enthousiast over de charismatische dirigent met een uitbundige zwarte krullenkop. Maar veel belangrijker: de musici van het Concertgebouworkest – bij uitstek ervaringsdeskundigen – toonden zich nog veel enthousiaster nadat ze voor Dudamel op de top van hun kunnen hadden moeten spelen.

Dudamel is een verbluffend natuurtalent. De Venezolaanse dirigent – die tien jaar geleden in eigen land aantrad bij het jeugdorkest Simón Bolivár – werkt al enkele jaren op het hoogste niveau: de New York Philharmonic, het Chicago Symphony Orchestra, de Berliner, de Wiener, de Scala in Milaan en het Los Angeles Philharmonic Orchestra, waar hij in september aantreedt als de nieuwe chef.

Dudamel is een absoluut natuurtalent, dat zich graag manifesteert in overrompelende muziek. Maar zijn repertoire is veel breder en zijn aanpak heel wat afgewogener dan alleen extreem en sensationeel. In september is Dudamel terug in het Concertgebouw met het Göteborg Symfonie Orkest, waarvan hij sinds 2007 de chef is. Dan dirigeert hij onder andere de Rückert-Lieder van Mahler.

Twee jaar geleden stond Dudamel voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest in een vurige Le sacre du printemps. In Amsterdam opende hij met de Mexicaans-indiaanse ‘Sacre’: de Sinfonia india (1935-’36) van Carlos Chávez, voor het eerst op de lessenaars van het orkest. De muziek van Chávez is enerverend: tot glorie verheven schetterende folklore, met schrille fluiten, in een vaak hoog tempo, ritmisch, begeesterend, elektriserend.

De begeleiding van het Pianoconcert van Grieg was al even intens, maar Dudamel liet Jean-Yves Thibaudet alle ruimte om zich te profileren in de grootse stijl van de 19de eeuwse klavierleeuw met deels explosieve en overdonderende cadensen. Als geheel was het een gepassioneerde zuidelijke kijk op de anders soms zo bedaagd gespeelde Noorse muziek.

In Prokofjevs spectaculaire Vijfde symfonie stond Dudamel erbij als een flamencozanger, uiterst geconcentreerd en met een onloochenbaar dwingend gezag, waarmee hij alles uit het orkest wist te halen. Het tweede deel Allegro marcato was een onovertrefbaar hoogtepunt, maar liet toch nog ruimte voor een spetterende slotclimax. Die vijf balletjes hierboven hebben elk een diamantje.

    • Kasper Jansen