Raap de dode bladen van de tijd

Venijnige noten ontbreken in Ben Jellouns boek over zijn zieke moeder. Verontwaardiging is er wel – over de westerse wijze van het ‘opruimen’ van ouderen.

Tahar Ben Jelloun Foto Roger Cremers Nederland, Amsterdam, 06-11-2006 Tahar Ben Jelloun (geboren in Fez, 1 december 1944) is een Marokkaans romanschrijver, dichter en essayist. Hij was professor in Tetouan en daarna in Casablanca. Sinds 1971 woont en werkt hij in Frankrijk. Hij heeft lesgegeven in sociale psychologie en gewerkt als psychotherapeut. Hij schrijft in het Frans, hoewel Arabisch zijn moedertaal is. Hij schreef voor diverse tijdschriften en kranten en m.n. Le Monde. Zijn roman Gewijde Nacht won de Prix Goncourt in 1987. In 2004 ontving hij de International IMPAC Dublin Literary Award voor Een verblindende afwezigheid van Licht. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Tahar Ben Jelloun: Yemma. Vertaald door Truus Boot en Rosalien van Witsen. De Bezige Bij, 253 blz. € 18,90

Tahar Ben Jelloun: Au pays. Gallimard, 189 blz. € 16,90

Wie een trouw lezer is van Tahar Ben Jelloun, volgt de wederwaardigheden van een heel mensenleven. Van zijn eerste wanhopige gedichten, op zijn 18de geschreven in een heropvoedingskamp in Marokko, leidde hij zijn lezers naar de vele hilarische versies van onmogelijke liefde en van spanningen tussen man en vrouw (gevolgd door de recente conclusie dat ‘je moet trouwen als je van eenzaamheid houdt’).

Daarna kwamen de verhalen waarin het fantastische een mensenleven binnenviel; de geëngageerde romans waarin hij sprak voor degenen die door de geschiedenis monddood waren gemaakt; de succesvolle essays waarin hij racisme aan de kaak stelde. In zijn recentste werk horen we de stem van een oudere, reflectieve schrijver, gepokt en gemazeld en met een blik op het einde van het leven. Zijn nieuwe roman Au pays gaat over een Marokkaanse gastarbeider die niet met pensioen wil, en in Yemma, de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van Sur ma mère, kijkt Ben Jelloun terug op de laatste jaren van zijn moeder.

Ze lijdt aan alzheimer, de moeder van de verteller, Ben Jellouns alter ego. Hoewel hij niet in de buurt woont, belt hij haar iedere dag en bezoekt haar zo vaak hij kan. Ze is analfabeet en heeft nooit een letter van zijn boeken kunnen lezen. Toch verdedigde ze hem met hand en tand tegen familieleden die hem bekritiseerden, hem opriepen zijn pen in dienst van de islam te stellen.

Zonder haar zegen kan hij niet, de volwassen schrijver. Aan haar dankt hij zijn zachtste herinneringen, zij vertelde hem de mooiste verhalen over zijn voorouders. Met het voortschrijden van haar ziekte, intensiveert Ben Jelloun het ritme van zijn tekst. Nu ‘praat ze langzaam en zacht: ik ben een bedelares; ik raap de dode bladeren van de tijd, een dag hier, een week daar, ik oogst al heel lang de uren en ik leg ze daar in een hoek van de kamer. [...] Ik buk me en ik raap ze stukje bij beetje op, het is niet veel, maar stukjes van de tijd die voortschrijdt. [...] Ik heb er genoeg van lege uren te vergaren, dagen die zich vermengen met nachten, dromen die een loopje met me nemen, herinneringen die zich vervelen en heen en weer schieten als vissen op het droge.’

Driemaal trouwde ze, driemaal met een man die ze vóór het moment van de huwelijksceremonie nog nooit had gezien. Yemma, zoals de zoon zijn moeder aanspreekt, behoort immers tot de generatie vrouwen die zich zonder protest onderwierp aan ‘een soort van akkoord tussen nette mensen’, waarbij alleen vader en broers beslisten over het leven van hun dochter dan wel zuster. Dus scheerde ze zich, parfumeerde ze zich, maakte ze zich mooi voor een vreemde. In het donker wachtte ze af wie haar bed zou betreden en voor wie ze zich in de keuken zou moeten uitsloven.

Geen woord van kritiek komt er over de lippen van de schrijver die zo pijnlijk scherp kon zijn over het huwelijk. Het was nu eenmaal zo, lijkt hij te suggereren. In een hommage aan een moeder past geen valse of venijnige noot. Toch toont Ben Jelloun, die zich zo vaak pleitbezorger betoonde van het individu, zich heftig verontwaardigd over de manier waarop in Europa ouden van dagen, zoals zijn moeder, worden ‘opgeruimd’. Zijn eigen moeder wordt 24 uur per dag verzorgd door een vrouw met wie zij een haat-liefderelatie onderhoudt en die hoopt haar spulletjes te erven – en liefst nog wat meer. Ouderen worden ‘afgedankt, weggestopt in bejaardentehuizen’, een ‘vlucht in onbezorgd egoïsme’, terwijl de medische stand alles in het werk stelt om het leven te verlengen. ‘Die paradox is het onvermijdelijke resultaat van een maatschappij waar de enige erkende en beschermde waarden commerciële waarden zijn.’

Die verderfelijk geachte waarden spelen ook de hoofdpersoon uit Ben Jellouns meest recente roman, Au pays, parten. Na decennialang een ‘modelarbeider’ te zijn geweest in een Franse fabriek, droomt Mohamed Ben Abdallah ervan een huis te bouwen in zijn geboortedorp waar ook zijn vrouw en zijn vijf kinderen zullen wonen. Een illusie: de kinderen zijn zelfstandig, ingeburgerd, net als de Fransen gericht op werk en carrière en accepteren de autoriteit van de vader niet meer. Met zijn vrouw heeft hij al jaren geen aardig woord meer gewisseld. De waanzin slaat toe.

Zoals in zijn vorige romans confronteert Ben Jelloun twee culturen die beide hun excessen kennen – ditmaal zonder het taalkundige of surrealistische vuurwerk dat hij in vroegere romans aan de dag kon leggen. Ouder is hij, triester, met een ondertoon van gelatenheid. Zijn verteller legt nog wel de nadruk op de tolerante islam (‘Zie maar wat je doet, er bestaat geen dwang in de islam, de Profeet heeft het gezegd, doe wat uw geweten u ingeeft’) en plaatst nog wel kanttekeningen bij de egocentrische vrijheid van de christelijke wereld, maar ook een bevlogen bruggenbouwer raakt op den duur wat illusies kwijt.

    • Margot Dijkgraaf