Niks geen bloemetjes, wonden zal hij zaaien

Alle mooie dingen werden kapotgemaakt in Hans Verhagens debuutbundel uit 1963. Het is de opmaat tot een oeuvre dat grotendeels ver uitstijgt boven vrijwel alles wat er verder aan ‘poëzie’ wordt geschreven.

Dichter Hans Verhagen Tekening Peter van Dongen P.C. Hooftprijs 2009 Dongen, Peter van

Soms bestaat er gerechtigheid. Er is een Nederlandse dichter die al bijna veertig jaar actief is, die altijd eigenzinnige poëzie heeft geschreven, grillig en licht, humoristisch en pertinent, die het afgelopen decennium alleen maar beter is gaan schrijven, die op dit moment als een van de weinigen kan verwoorden wat er speelt in deze dolgedraaide tijden, maar die nog nooit bekroond is met een prijsje. Zelfs een nominatie heeft er nooit ingezeten. Sterker nog, hij heeft de grootste moeite gehad om een bescheiden werkbeursje los te peuteren bij het Fonds voor de Letteren. En deze belangrijke dichter, die door jury’s en leescommissies al bijna veertig jaar is behandeld als een b-auteur, krijgt nu eindelijk de erkenning die hij verdient. Volgende week wordt hem de P.C. Hooftprijs uitgereikt, de belangrijkste literatuurprijs van Nederland. Zijn naam is Hans Verhagen.

Hans Verhagen (1939) debuteerde in 1961 met de in eigen beheer uitgegeven bundel Anatomie van een Noorman. Twee jaar later verscheen zijn eerste bundel bij een erkende uitgever: Rozen & motoren. Het openingsgedicht van dat roemruchte officiële debuut heet ‘Zonsondergang ’58.’ Het gaat zo:

Vanzelfsprekend: wonden op je neergezaaid, regen

in zee,

een vuistslag, en vogels, vogels

op je oren, meestal

met een goede boodschap. dit gedicht verplettert dit.

sombere jongens willen van een handvol zand een

nachtegaal

bouwen. een vogel als hun somber ideaal,

fladderend van

angst. een veldheer. vanzelfsprekend;

alles is vanzelfsprekend: vandaag een

besneeuwde eeuwige vlam,

morgen slaat je adem door de dijken heen.

je wordt dronken, en

je voelt je vingers worden vuil. je steelt een klein

meisje.

een mes. en daar ga je; snel als een slagwerk,

zon sijpelt, vanzelfsprekend, op je schouders.

een veldheer

met oren...

Er is veel te vinden in dit allereerste officiële gedicht dat de poëzie van Hans Verhagen tot op de dag van vandaag kenmerkt. De taal is zintuiglijk. Tel alleen maar hoeveel lichaamsdelen erin worden genoemd. En hoeveel dingen er worden genoemd die iets met het lichaam doen, zoals wonden, een vuistslag, je adem slaat door dijken, je wordt dronken en je voelt dat je vingers vies worden. Bovendien is de taal beeldend. De metaforen zijn niet, zoals in de klassieke poëzie, bedoeld om de mededeling wat op te fleuren en wat poëtisch cachet te verlenen, maar vormen de mededeling zelf. Het gedicht is geen klare taal versierd met beelden, maar een en al beeld.

De meeste beelden zijn paradoxaal. Ook al wordt er tot vier keer toe gezegd dat alles vanzelfsprekend is, is helemaal niets in dit gedicht vanzelfsprekend. Als je iets zaait, zaai je meestal iets, bloemzaadjes bijvoorbeeld, in de hoop dat daar mooie bloemetjes uit komen. Maar wat hier wordt gezaaid zijn wonden. Daar kan niks moois uit komen. Regen op zee is al een vrij treurig beeld, maar regen in zee is de paradoxale verbeelding van de ultieme nutteloosheid.

Het hele gedicht is als de besneeuwde eeuwige vlam die wordt genoemd in de eerste regel van de derde strofe: iets wat, als je er goed over nadenkt, niet kan bestaan. Want de vlam gaat uit van de sneeuw en dan is hij niet meer eeuwig, of de sneeuw smelt door de eeuwige vlam, maar dan is de vlam dus niet meer besneeuwd.

Het gedicht is in zekere zin anti-lyrisch. Daarmee bedoel ik dat het niet gaat over mooie dingen, zoals een lief mooi meisje en een maan die weerspiegeld wordt in een meer terwijl de nachtegaal zingt. Alle mooie dingen worden kapotgemaakt in dit gedicht. Het gedicht verplettert alles. Deze deels vrolijke en deels woedende drang tot destructie is eveneens een kenmerk van Verhagens poëzie tot op de dag van vandaag. Maar in Rozen & motoren is het bijna het hoofdthema. Het wordt in die zelfde eerste bundel ook verwoord in een programmatisch gedicht ‘Een gedicht zo lyrisch...’:

Een gedicht, zo lyrisch als de volle maan

van een barakkenkamp.

De ingewanden als juwelen om de hals:

de dichter. Zijn stoel

versierd met eierschalen. Schoenen ... Maar

geen voetstap te bezeilen in dit lichaam.

Dit is misschien niet het allersterkste gedicht in de bundel, omdat het een beetje te gewild is en een beetje te expliciet. Maar het is een duidelijke beginselverklaring voor het type poëzie dat Hans Verhagen wil schrijven: niks geen lieve mooie dingetjes. De volle maan die je ziet, is de volle maan boven een barakkenkamp en de juwelen om je hals zijn je eigen ingewanden.

Een monomaan dichter is Hans Verhagen nooit geweest. Ten tijde van zijn debuut was hij werkzaam als redacteur van Haagse Post, in die dagen een roemrucht periodiek. Samen met onder anderen Hans Sleutelaar en Armando vormde hij de redactie van opvallende en invloedrijke tijdschriften als Gard Sivik en De Nieuwe Stijl. In de tweede helft van de jaren zestig begon hij voor de televisie te werken. Dat heeft hij een kleine twintig jaar volgehouden, bij programma’s als Hoepla en Het Gat van Nederland. Hij was betrokken bij de fameuze uitzending van Hoepla die geschiedenis maakte omdat Phil Bloom er zich als eerste vrouw op de Nederlandse televisie naakt liet zien. Hij stopte in 1984 met zijn werk en begon te schilderen. In 1985 had hij zijn eerste tentoonstelling. En in de jaren daarna wijdde hij zich volledig aan de schilderkunst.

In zijn jaren als televisiemaker en als schilder schoot de poëzie er een beetje bij in. Na Rozen & motoren verschenen er nog twee bundels: Sterren Cirkels Bellen (1968) en Duizenden Zonsondergangen (1971). Daarna was het twaalf jaar stil, tot het verschijnen van Kouwe Voeten (1983) en daarna was het weer negen jaar stil.

De poëzie in deze drie bundels, die verschenen terwijl Hans Verhagen meer met andere dingen bezig was, behoort niet tot het sterkste werk. In Sterren Cirkels Bellen grossiert hij met provocerende, korte gedichtjes zoals:

Concentreert.

Parafeert,

toucheert.

De avond valt maar moet rendabel wezen:

recreëert.

Of een cyclus over kanker, in drie verschillende talen, die begint met het gedicht: ‘Een pijnloze knobbel/ kan onheilspellender zijn/ dan een pijnlijke.’ Hoe waar dat ook allemaal zijn mag, als poëzie is het niet indrukwekkend. In 1968 waren de directheid en het minimalisme misschien in zekere zin opzienbarend, maar dit is niet het deel van het oeuvre dat de tand des tijds zal doorstaan. De bundel Duizenden Zonsondergangen is beter. Daar grijpt Verhagen terug naar de beeldende taal van zijn debuut. Maar die gedichten maken een vervreemdend klassieke indruk. Ik mis de branie en de vitaliteit van Rozen & motoren. In de enige bundel uit de jaren tachtig, Kouwe Voeten, dicht een dichter die vindt dat het niet goed met hemzelf gaat, in veel te directe, veel te lyrische bewoordingen: ‘jaren van schittering en onvermogen!/ nogmaals en opnieuw tevergeefs/ vernietig ik mijn lichaam.’

Verhagens renaissance als dichter begon in 1992 met het verschijnen van de bundel Autoriteit van de Emotie, gevolgd door Echoput & Luchtkasteel (1995). Vanaf dat moment werd hij met de bundel sterker. Zijn allerbeste werk begon hij te schrijven toen hij van De Bezige Bij terugkeerde naar de uitgever van zijn debuut, Nijgh & van Ditmar. De eerste bundel van zijn glorieperiode was Triomfantelijke Wandelingen, die verscheen in 2000. Vanaf dat moment verschenen er met ijzeren regelmaat ijzersterke bundels: Quasi-kamikaze (2002), Moeder is een Rover (2004), Draak (2006) en Zwarte Gaten (2008). De laatste drie bundels zijn samengebracht in de uitgave Automatische Profeet. Al het eerdere werk, tot en met 2002, staat in de verzamelde gedichten met de titel ontleend aan het eerste gedicht van zijn debuut: Eeuwige Vlam.

De poëzie die Hans Verhagen schrijft sinds 2000 is in alle opzichten compromisloos. Het is licht, het is vaak geschreven met humor om te lachen, maar het gaat altijd ergens over. Het zijn gedichten over de wereld die naar de knoppen gaat. Dat heeft hij gemeen met dichters als H.H. Ter Balkt en Erik Jan Harmens en dat onderscheidt hem van het gros van de Nederlandse dichters en dichtertjes die braaf bezig zijn gedichtjes te schrijven die op gedichten lijken. Bij Verhagen besef je opeens weer hoe noodzakelijk poëzie is die een noodzaak heeft. En die noodzaak is dat het verdomme allemaal maar eens gezegd moet worden. Waarom? Daarom. Wie niets meer voelt, moet maar weer eens horen.

Ik zet mij schrap tegen de railing,

mij samenschrapend tegen achter mij oprukkende

herinnering

aan alles wat er mis ging, maar er ging niets mis

Het ging zoals het zich voltrekt sinds

mensenheugenis

[...]

De wereld rolde door in megaspijt;

we zijn aangeland in het jaar van de

komodovaraan

Wie zo kan schrijven over de universele ellende die liefde heet te heten, demonstreert wat poëzie vermag. Zij is niet de cultureel verantwoorde decoratie van ons geletterde bestaan, maar de stem van onze onderbuik, die gorgelend en borrelend zegt wat wij liever niet zouden horen: ‘de liefde van mijn leven wacht/ en het komt niet in mij op om mijn geluk met haar te delen’. Wat is er mis gegaan als blijkt dat alles mis is? Niets. Het is gegaan zoals het zich sinds mensenheugenis voltrekt. En toch is er spijt, megaspijt zelfs. Het is de megaspijt over alles waaraan we niets kunnen doen die de wereld draaiende houdt. We zijn verdwaald in de wereld als een oeroud dier dat enigszins potsierlijk door het slinkende oerwoud scharrelt in een poging zich met sissende tong nog een bepaalde houding van waardigheid aan te meten. De kleine meisjes zijn inmiddels ook al groot. ‘Iedereen heeft hier zijn prijs; ik begrijp niets van deze plek’.

Verhagen is een dichter is die iets heel belangrijks heeft te zeggen. Wat deze poëzie zo ontzettend veel beter maakt dan de meeste poëzie die je min of meer welwillend tot je neemt, is dat dit geen poëzie is die je min of meer welwillend tot je kunt nemen omdat het poëzie is die je bij je kladden grijpt en door elkaar schudt.

Snoezig geglaceerde baby’s worden vetgemest

en vervolgens zwaar bewapend

voor een nobel en misdadig universeel streven

ingezet

Het klinkt grappig en het is ook grappig. Baby’s geglaceerd als roze koeken die worden vetgemest totdat ze groot genoeg zijn om een geweer vast te houden. Maar het is helemaal niet grappig. Het drukt ons met onze neus op de misdadigheid van ons grote nobele universele streven. Dat is nou precies het verschil tussen deze gedichten en de overvloed van bloeiende Nederlandse poëzie. In deze gedichten is niets vrijblijvend. Het is alles of niks, omdat de wereld verdomme naar de klote gaat en dat zullen we horen omdat iemand het moet zeggen.

Hans Verhagen: Eeuwige vlam. Verzamelde gedichten 1958-2003. Nijgh & Van Ditmar, 554 blz. € 25,–Hans Verhagen: Automatische profeet. Nijgh & Van Ditmar, 192 blz. € 19,90De uitreiking van de P.C. Hooftprijs is op 28 mei in Den Haag.

Op nrcboeken.nl een interview van Ron Rijghard met Verhagen had over zijn hele oeuvre.

    • Ilja Leonard Pfeijffer