Nieuw museum is niet voor de kunstelite

Voor een onervaren publiek is het jammer dat het Historisch Museum wordt losgekoppeld van het Openluchtmuseum, meent Letty Ranshuysen.

Een museum kan een breed publiek bereiken als het rekening houdt met de wensen en de achtergronden van een onervaren museumpubliek. De directeuren van het te ontwikkelen Nationaal Historisch Museum (NHM), Erik Schilp en Valentijn Byvanck, lijken daar weinig oog voor te hebben.

Schilp en Bijvanck zwaaiden de scepter in respectievelijk het Zuiderzee Museum en het Zeeuws Museum. In deze cultuurhistorische musea verlegden zij rücksichtslos het accent van geschiedenis naar hedendaagse kunst, mode en design, waardoor deze musea minder toegankelijk werden. Hoewel onderzoek in het Zuiderzeemuseum uitwees dat bezoekers vooral het buitenmuseum (dat intact was gebleven) waardeerden en daar graag wilden beleven ‘hoe het vroeger was’, concentreerde Schilp zich geheel op het binnenmuseum. De invulling van het NHM is dus toevertrouwd aan personen die weinig affiniteit hebben met andere publieksgroepen dan kunstliefhebbers en weinig affiniteit met geschiedenis en educatie. Dit wkomt tot uiting in het loslaten van het door Jan Vaessen (oud-directeur van het Nederlands Openluchtmuseum) en architect Francine Houben ontwikkelde plan. Op basis van dit voorstel werd Arnhem destijds uitverkozen boven Den Haag en Amsterdam.

Het voorstel gaat uit van plaatsing van het nieuwe museum naast het Nederlands Openluchtmuseum. De twee musea zouden door een ondergrondse gang met elkaar verbonden worden. Door de samenwerking profiteert het nieuwe museum van de ervaring van het bestaande museum en is een goedkopere exploitatie mogelijk. Veel Nederlanders zijn wel eens in het Nederlands Openluchtmuseum geweest. De massale opstand tegen de dreigende sluiting in 1987 toonde aan dat dit museum in onze samenleving is verankerd. De combinatie van twee op elkaar aansluitende musea biedt daarbij gelegenheid om zonder tussentijdse verplaatsingen de hele dag onder de pannen te zijn. Dat is niet alleen aantrekkelijk voor gezinnen, maar ook voor excursies van scholen, sociaal-culturele groepen en bedrijven. De ligging van beide musea in een bosrijke omgeving zorgt ook voor meerwaarde. Kortom: het plan van Vaessen en Houben biedt aanknopingspunten voor jong en oud en koppelt educatie met recreatie, hightech met authenticiteit, binnen met buiten, cultuur met natuur.

Deze opzet maakt het nieuwe museum aantrekkelijk voor uiteenlopende doelgroepen, waaronder ook degenen die van huis uit weinig vertrouwd zijn met museumbezoek. De aandacht voor groepsbezoek die in het plan is ingebakken, vergroot de kans dat dit onervaren publiek ook daadwerkelijk komt. Onervaren museumbezoekers (waartoe veelal ook de nieuwe Nederlanders behoren) gaan namelijk niet snel op eigen initiatief naar een museum, maar komen wel mee met door anderen georganiseerde excursies.

Ondanks deze sterke punten is dit plan afgeserveerd ten gunste van een geheel andere opzet op een andere plek. Het museum zou goedkoper en sneller te realiseren zijn nabij de John Frostbrug, zo’n vijf kilometer verderop, omdat daar geen parkeergarage gebouwd hoeft te worden. Doordat de nieuwe locatie op loopafstand van het station ligt, zou het publiek vooral met de trein komen.

Maar uit de landelijke MuseumMonitor blijkt echter dat slechts eenvijfde van het museumpubliek in Nederland met de trein komt; het merendeel komt met de auto. Voldoende parkeerplaats voor auto’s (gezinnen) en bussen (groepsexcursies) is veel belangrijker dan de nabijheid van een treinstation. Als de nieuwe locatie in het stadscentrum die parkeerruimte niet biedt, zal daar toch ook een parkeergarage moeten komen.

De historische waarde van de John Frostbrug is ook als selling point van de nieuwe locatie naar voren gebracht. (John Dutton Frost was een Brits officier die een belangrijke rol speelde in de Slag om Arnhem in september 1944, waarbij Britse luchtlandingstroepen door de Duitse bezetter werden verdreven.) Onzinnig als je bedenkt dat het NHM over veel meer tijdvakken moet gaan dan alleen de Tweede Wereldoorlog.

Op basis van een flinterdunne argumentatie wordt de synergie tussen twee elkaar aanvullende musea overboord gegooid. Bij de nieuwe opzet liggen de musea te ver van elkaar af om ze allebei te bezoeken en gaan ze elkaar juist beconcurreren.

Zouden Schilp en Byvanck zich uit weerzin tegen de veronderstelde kneuterigheid van openluchtmusea van het Nederlands Openluchtmuseum hebben afgewend, maar daarvoor niet willen uitkomen? Zij hebben in ieder geval een hoop uit te leggen op de op 27 mei geplande hoorzitting in de Tweede Kamer. Er is een beter verhaal nodig om het loslaten van de oorspronkelijke locatie aannemelijk te maken.

Wellicht kan dan meteen worden toegelicht waarom in het visieplan van de directie geen aandacht meer is voor gezinnen met jonge kinderen en onderwijsgroepen, die in het plan van Vaessen en Houben centraal stonden. Als de huidige directie zijn gang mag gaan, worden kansen gemist om een voor uiteenlopende doelgroepen aantrekkelijke ‘geschiedenissite’ te realiseren.

Het is raadzaam om een curatorium in te stellen, met naast historici ook deskundigen op het gebied van educatie en doelgroepenmarketing, dat ervoor zorgt dat de directie zich aan de oorspronkelijke opdracht houdt.

Letty Ranshuysen doet onderzoek binnen de cultuursector. Zij ontwikkelde de jaarlijkse MuseumMonitor. Zij schreef het advies Onzichtbare Drempels voor de Museumnota (2005).

    • Letty Ranshuysen