Lucebert vermomde letters als poppetjes

Als eerste vergelijkt Hans Groenewegen grondig de gedichten en tekeningen van Lucebert met elkaar. En hij legt de hele Lucebert-forschung naast zich neer.

Lucebert: zonder titel, 2 november 1965 Uit besproken boek Hans Groenewegen: Het handschrift van Lucebert. Historische uitgeverij, 122 blz. € 40,- lucebert

Hans Groenewegen: Het handschrift van Lucebert. Historische uitgeverij, 122 blz. € 40,-

De tekeningen van Lucebert zijn vaak net zo ondoorgrondelijk en grimmig als zijn gedichten. Wie kijkt naar de verwrongen koppen en onmenselijke figuren hoort al snel een dichtregel in het hoofd galmen. Verder dan die oppervlakkige constatering is echter nooit iemand gekomen. Hans Groenewegen is de eerste die, in Het handschrift van Lucebert, de twee genres van de dubbelkunstenaar echt naast elkaar legt.

Dat is een riskante onderneming. Voor je het weet reduceer je het beeldende werk tot een plaatje bij een praatje, of andersom. Bovendien betrok Lucebert de twee kunstvormen zelf maar zelden op elkaar. Als hij al een tekening maakte bij een gedicht, was dat op verzoek. Dus moet Groenewegen het verband elders zoeken, zoals in vergelijkbare thema’s of technieken. Hij wil de ene Lucebert met de andere illustreren: ‘ik breng ze schrijvend bij elkaar’.

De tekeningen worden gelezen op motieven die ook in de poëzie voorkomen, en andersom: ogen bijvoorbeeld, of maskers. Dat heeft het verfrissende effect dat het beeldende werk in een verhaal wordt opgenomen. Dat is het verhaal van het ambivalente dichterschap van Lucebert waarin taal voortdurend tekortschoot. Luceberts gedichten kwamen met horten en stoten, en hij zweeg zelfs helemaal tussen 1963 en 1980. Al die tijd bleef het tekenen en schilderen wel vanzelf gaan. Niet alleen omdat het materiaal van de kunstenaar minder weerbarstig was dan dat van de taal, maar ook omdat het beeldende werk ambachtelijker was, concreter. ‘Ook als er geen inspiratie is, blijft er het geconcentreerde doorgaan van ogen en handen’, merkt Groenewegen op: ‘Als beeldend kunstenaar speelt hij probleemloos rond in zijn dwaaltuin’.

Het probleem van de taal kon dan niet meer in gedichten, maar wel in het beeldende werk worden uitgedrukt. Tekeningen van grote tongen die uit kleine gezichten steken wijzen dan op de obscene woorden die verstikken. Een man met een luit zonder snaren verbeeldt de tot zwijgen gebrachte dichter. Omgekeerd kunnen veel van de gedichten gelezen worden als ‘verkapt zelfportret’ van een kunstenaar.

Meestal is het verband tussen de genres echter subtieler, en is Groenewegens talent voor interpreteren nodig om het op het spoor te komen. Zo wijst hij op het belang van ‘vlekken’ in beide kunstvormen. Daartegenover staan onverwacht ‘open’ lichte plekken in beide genres. Waar de gedichten soms ineens ‘een winkelhaak van een heldere formulering’ laten zien, zie je in het beeldende werk plotse transparantie in een ingewikkeld beeld. Ook de gehanteerde techniek was hetzelfde – uit een eerste krabbel kon zelfs zowel een versregel als een grillige figuur ontstaan. Het gaat steeds om het toeval en om het experiment: beide soorten werk waren structureel onaf en nooit uitgewerkt. Lucebert kon zich laten leiden door waar het penseel hem toevallig voerde, zoals ook een klank in een dichtregel een volgende klank opriep.

Dat deze mythe van het spontane dichterschap inmiddels door allerlei academici is doorgeprikt, wenst Groenewegen blijkbaar te negeren. Men heeft te veel systeem willen vinden in de poëzie van Lucebert, meent hij, en hij schudt de hele last van de Lucebert-Forschung van zich af zonder er verder woorden aan vuil te maken. Zo gaat hij dus al even vrij te werk als Lucebert zelf, en hij meandert behoorlijk willekeurig door het gigantische dubbele oeuvre. Daarbij laat hij zijn eigen dichterlijkheid de vrije loop en beschrijft hij het werk in lyrische, soms wat naar het pathetische neigende bewoordingen (‘Achttien jaar zingt Lucebert niet meer. Hij schikt alleen nog licht op een overvloed van linnen en op een schier eindeloze stroom papier’).

Door het vrij associëren van beelden met gedichten komt er veel aan bod dat in de traditionele Lucebert-studie blijft liggen – het engagement bijvoorbeeld, en de ‘stroeve schriftuur’ die daaruit voortkomt. Het ‘schandaal van de geschiedenis’ veroorzaakt bij Lucebert een weerzin tegen woorden die Groenewegen ook in de tekeningen uitgebeeld ziet. Op zulke momenten duidt hij het surrealistische werk expliciet, en geeft hij het ‘het karakter van een rebus’.

Wie zo knap puzzelt wordt veel vergeven. Bovendien brengt Groenewegen zijn interpretaties keurig als ‘mogelijkheden’. Zelfs op het grootste raadsel uit de lucebertistiek geeft hij een nieuw antwoord – de vraag naar de betekenis van ‘de analphabetische naam’. Het is heel simpel, weten we nu, dat slaat op de ‘hoogstpersoonlijke kalligrafie’ van Lucebert: tekeningen van letters, soms vermomd als poppetjes. In het kalligrafische vloeien tekenen en schrijven samen ‘in een lichamelijke taal die analfabetische namen spelt’. Een getekende, gapende C, een A op een berg, een grote X met een verwrongen kop - het lijkt de enige taal waar Lucebert uiteindelijk echt genoegen mee kon nemen.

    • Yra van Dijk