Liever ganzen en gierzwaluwen dan geschiedenis

Marcel Beyer: De nacht dat het dode kraaien regende. Uit het Duits vertaald door W. Hansen. Cossee, € 24,90

Marcel Beyer: De nacht dat het dode kraaien regende. Uit het Duits vertaald door W. Hansen. Cossee, € 24,90

Steeds meer Duitse schrijvers omarmen de wetenschap. Daniel Kehlmann, Hans Magnus Enzensberger en Juli Zeh, allen houden zich in hun proza bezig met natuurkunde of een soortgelijk exact vak bezig, en doen alsof dat voor hen een makkie is.

Marcel Beyer (1965) sluit zich bij die trend aan. De held van zijn nieuwe roman De nacht dat het dode kraaien regende is een ornitholoog die ook in de zoölogie uitblinkt. Ludwig Kaltenburg verstaat de taal van de dieren. Hij woont samen met kraaien, eenden en hermelijnen en verliest ze geen moment uit het oog. ‘Leven is observeren’, luidt zijn wakkere devies.

Wie oplet herkent in Kaltenburg de Nobelprijswinnaar Konrad Lorenz (1903-1989). Die testte het hechtingsproces van jonge ganzen door hoogstpersoonlijk de rol van hun moeder te spelen. Aandoenlijke foto’s van Konrad Lorenz die waggelend voor de ganzenkindjes uit marcheerde, gingen de wereld rond. Later wankelde zijn reputatie. Het gerucht ging dat de grote dierenvriend in het Derde Rijk had meegedaan aan ‘rassenkundige’ experimenten op mensen.

Ook over Ludwig Kaltenburg doen zulke verhalen de ronde. Hermann Funk, de verteller, kan zijn oren niet geloven. Hij is Kaltenburgs leerling, volgeling en trouwe bewonderaar. Als de roman (in het Duits kortweg Kaltenburg geheten) zijn aanvang neemt, is Funk al een oude man. Zijn geheugen hapert. Pas wanneer hij bezoek krijgt van iemand die dingen van hem wil weten komen zijn herinneringen op gang.

En zo gaan we terug in de tijd, van de jaren veertig naar de jaren tachtig, zonder chronologisch houvast. Hermann Funk groeit op in Posen (nu: Poznán, Polen). Ineens is zijn zwartharige kindermeisje verdwenen. Maar de gedachte aan deportatie komt niet bij hem op. De oorlog is voor hem ver weg. Tot het gezin naar Dresden vlucht – en in een bommeninferno belandt. Het is de nacht van 13 februari 1943. In een park zoekt de elfjarige Hermann vergeefs naar zijn ouders. Wat hij wél vindt: brandende en verkoolde kraaien, in de lucht, op de grond, overal.

De scène waaraan de Nederlandse vertaling haar titel dankt is een van de mooiste van het hele boek. Toch schildert Beyer de catastrofe niet in felle kleuren. Grijstinten domineren: de toon is terughoudend, bijna aarzelend. Want Hermann verliest in die nacht niet alleen zijn ouders maar ook zijn zekerheid. Dat onveilige gevoel slaat op de lezer over. Je weet nooit waar je aan toe bent. En soms weet je ook niet waar Marcel Beyer naartoe wil.

De auteur van bejubelde romans als Menschenfleisch en Flughunde hanteert een door de nouveau roman beïnvloede stijl, vol associaties en suggesties. Ook in zijn nieuwe boek wijst hij steeds vooruit, naar iets wat blijken zal. Je verwacht een ontknoping, een onthulling, maar die komt niet.

Dat is onbevredigend. Zo krijg je geen zicht op de personages. Was Kaltenburg in de oorlog nou wel of geen gruweldokter? Hoe gedroeg hij (en vanaf hier heeft zijn biografie niets meer met die van Konrad Lorenz te maken) zich in de DDR? Gooide hij, de leider van een onderzoeksinstituut in Dresden, het met de machthebbers op een akkoordje? Of verliet hij het land uiteindelijk omdat hij opstandig was?

Vaag blijven ook twee andere hoofdpersonen: de dierenfilmer Knut Sieverding en de kunstenaar Martin Spengler. Hermann leert hen al kennen als zij nog jonge en veelbelovende nazi’s zijn. Maar alleen Spengler laat later iets over dat verleden los. Boven de Krim werd zijn vliegtuig neergehaald. Nomaden redden hem.

Dat doet denken aan het verhaal van de Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986). Keer op keer vertelde Beuys hoe Tartaren hem na de crash van zijn Stuka met vet insmeerden en in vilten dekens hulden. Dus werden vet en vilt zijn favoriete materialen. Beuys bleef zijn leven lang met de oorlog en met de schuldvraag worstelen. Dat, onder meer, maakt hem zo interessant.

En dat kan je niet zeggen van zijn look-alike Martin Spengler. Beyer houdt hem zo op afstand dat zijn lot je niet raakt. En Knut Sieverding? Ook hij werd naar een echte Duitser gemodelleerd. En wel naar Heinz Sielmann, een dierenfilmer, inderdaad. Gedetailleerd beschrijft Beyer Sieverdings werk – ja, de schrijver heeft zich grondig in het onderwerp verdiept en toch komen bij hem de dieren niet tot leven; ook zij blijven op een afstand.

Duitse critici noemen Kaltenburg een ‘grote historische roman’. Maar de figuren in die roman hebben meer oog voor gierzwaluwen en ganzen dan voor geschiedenis. Prima stof voor een leerstuk over vakidiotie die blind en medeplichtig maakt. Maar Beyer wíl niet beleren. Anders dan zijn collega’s Zeh en Kehlmann voert hij wetenschappers niet op als voorbeelden van grootheidswaan en geniale gekte. Complete objectiviteit lijkt zijn ideaal. Hoe lovenswaardig dat in de natuurkundige vakken ook is, van de literatuur verwachten we boven alles dit: een krachtige visie.

    • Anneriek de Jong