Inkleuren

Bij wie zou de Nacht der jaloezie van August Strindberg onder het bed liggen, of achter de piano staan? Het is een met woeste penseelstreken opgezet zeegezicht, uit 1893. De zee is vuilbruin en de hemel stort met daverende regen op de golven. De wolken zijn bijna niet van het zeewater te onderscheiden, zo kolkt het in deze voorstelling. Zou de Zweedse schrijver zijn verzwolgen door jaloezie toen hij dit schilderij maakte? Woede en pijn spatten van het doek.

Op 15 februari 2006 werd het schilderij door drie gemaskerde mannen ontvreemd uit het Strindbergmuseum in Stockholm, lees ik in Vermist uit het museum (Lannoo, 2007) van Simon Houpt. ‘Het spannende verhaal van ’s werelds grootste kunstroven’ staat er iets te opzichtig op de omslag van dit boek, dat eruitziet als een goedkope atlas. ‘Ga op in de schoonheid van deze kunstwerken en bestudeer ze nauwkeurig, want ze zullen alleen de weg naar huis vinden als mensen blijven uitkijken naar deze unieke vermiste stukken.’ Als je dit soort zinnen en de vormgeving van het boek negeert, is het spannend om reproducties van kunstwerken te bekijken die misschien nooit meer zullen opduiken en kun je een fantoommuseum betreden.

Het ordeningsprincipe van de collectie, gebaseerd op de chronologie van de verdwijningen, levert verrassende combinaties op. Het Portret van Francis Bacon van Lucian Freud hangt tussen een Landschap met obelisk van Govert Flink en Moon Madness van Andrew Wyeth. Ik zie tientallen prachtige schilderijen en bekijk ze met een intensiteit die ik niet zou opbrengen als ik niet wist van hun verduistering.

De Mona Lisa werd pas werkelijk populair nadat het schilderij in 1911 door Vincenzo Peruggia uit het Louvre werd ontvreemd. In de maanden daarop werd er muziek gecomponeerd voor Mona Lisa, verscheen ze in cartoons en ontstond er een massale toestroom van mensen die wilden zien waar het doek had gehangen. De Britse psychoanalyticus Darian Leader merkt op in zijn boek Stealing the Mona Lisa: What Art Stops us from Seeing (Faber & Faber, 2007) dat de lege plek in het Louvre meer mensen trok dan het verdwenen doek ooit had gedaan. Hij meent hierin een verklaring te zien waarom mensen naar kunst kijken. Ze lijken iets te zoeken wat ze ooit zijn kwijt geraakt. Het kunstwerk zelf lijkt er in ieder geval niet toe te doen.

De Franse kunstenaar Sophie Calle (1953) werkte in 1991 al met dit gegeven toen ze Last Seen maakte, een serie foto’s waarin ze dertien gestolen kunstwerken portretteert. Ze nam de foto’s in het Isabelle Stewart Gardner Museum in Boston, waar men besloten had de lege plekken waar eens meesterwerken van onder anderen Degas en Rembrandt hadden gehangen, in tact te houden. Dit intrigerende werk maakt duidelijk dat de context waarin een kunstwerk wordt gepresenteerd en de geschiedenis van het object bepalend zijn voor het begrip van het werk.

Kijk ik naar de Nacht der jaloezie of zoek ik iets wat is verdwenen wanneer ik de kolkende zee van Strindberg bekijk? Ik sla het boek dicht, maar de vragen blijven ruisen in mijn hoofd. Ik vind geen rust in mijn werkkamer die is gevuld met objecten waar ik aan gehecht ben. Ik zie het tafelblad om het boek voor het eerst als een afbeelding, en de kamer waarin ik me bevind als een serie vlakken die ik als een kleurplaat slordig heb ingevuld met betekenis.

    • Maria Barnas