Gods schaduw vocht elke zomer

In een koele biografie komen twee kanten aan bod van de angstaanjagende ‘Grote Turk’: zijn liefde voor wetenschap en poëzie en vooral en zijn onbedaarlijke strijdlust.

John Freely: The Grand Turk. Conqueror Of Constantinople, Master Of An Empire And Lord Of Two Seas.I.B. Tauris, 265 blz., €23,-

Mehmet II, de zevende Ottomaanse sultan, veroverde, nauwelijks 21 jaar oud, op 29 mei 1453 Constantinopel. De val van de stad betekende het eind van Byzantium, de middeleeuwse christelijke voortzetting van het Romeinse rijk. Europa was diep geschokt ; ‘Nu regeert Mohammed tussen ons’, schreef de toekomstige paus Pius II. ‘Mehmet de Veroveraar’ (1432-1481), zoals de Turken hem noemden, werd in de dertig jaar die hij regeerde – en vrijwel onafgebroken oorlog voerend doorbracht – meester van een groot imperium, ‘de schrik van het Westen.’

Drie pausen riepen op tot kruistochten tegen de ‘Grote Turk’, die ze veroordeelden als ‘zoon van Satan’ (Nicolaas V) en ‘giftige draak’ (Pius II). En de Turken heetten ‘volgelingen van de goddeloze hond Mohammed’ (Sixtus IV in 1471). Dat was de retoriek van de ‘botsing van beschavingen’ tussen het christelijke westen en het expansieve moslimrijk in het oosten. Maar Mehmet II, een agressieve, soms wrede, briljante militaire leider, was ook een ‘prins van de Renaissance in Istanbul’ , zoals de stad aan de Bosporus voortaan heette, aldus John Freely in zijn zeer verzorgde kleurrijke biografie, de eerste over deze raadselachtige figuur sinds 1953.

Na een strenge opvoeding, met lessen in Grieks, Italiaans, Arabisch en Perzisch, volgde Mehmet, nog net geen 19, zijn vader op die in enige tientallen jaren het rijk van de ‘zonen van Osman’ tot dicht bij Constantinopel had uitgebreid. Sultan Mehmet gold als intelligent, sterk en streng. Hij had grote belangstelling voor het christendom en voor Grieks, de taal van Byzantium, en van zijn Griekse vrouw Gülbahar, die naar wordt aangenomen haar leven lang weigerde afstand te doen van het christelijk geloof. Hij las later de Ilias en droomde als jongen al van roem – Alexander de Grote was zijn voorbeeld.

Constantinopel, dat destijds hooguit 50.000 inwoners (van wie 7.000 soldaten) telde binnen de bijna 20 kilometer lange en vijf meter dikke stadsmuren, was geen partij voor de grote legermacht (80.000 man) en de flinke vloot waarmee de jeugdige sultan aanviel. Na een belegering van twee maanden behaalden de Turken de overwinning en die vierden ze met drie dagen plundering en moord en doodslag zoals de gewoonte was, en met veel verwoestingen, zoals Mehmet met enige spijt vaststelde. De Genuezen in Galata, op de Aziatische oever, werden gespaard. Het lijk van de laatste Byzantijnse keizer, Constantijn, werd nooit gevonden.

De sultan bezocht meteen de toen al beroemde Hagia Sofia die hij tot moskee uitriep en keerde vervolgens terug naar zijn oude hoofdstad Edirne (Adrianopel) om talloze ambassadeurs, uit Venetië, Genua, de Balkanstaatjes en Anatolië te ontvangen die tegen betaling van een jaarlijkse heffing op goede betrekkingen met de nieuwe machthebber hoopten.

Daarna concentreerde hij zich op de wederopbouw van Istanbul (een verbastering van het Griekse ‘eis tin polin’: in de stad) te beginnen met de vestiging van zoveel mogelijk nieuwe inwoners. De niet-moslims, Grieken, Venetianen, Armeniërs, werden georganiseerd in millets (naties), met een grote mate van autonomie in religieuze en juridische zaken, een systeem dat tot het eind van het Ottomaans rijk bleef gehandhaafd. In latere jaren liet Mehmet vele nieuwe moskeeën en paleizen bouwen, zoals het befaamde Topkapi, dat ook regeringscentrum werd.

Na de verovering van Constantinopel voerde Mehmet elke zomer (’s winters waren de wegen onbegaanbaar) oorlog: tegen Griekse steden, op de Peloponesos, tegen Hongarije en Venetië (gedurende zestien jaar), in Bosnië en Trebizonde, het laatst overgebleven Byzantijnse rijkje aan de Zwarte Zee dat hij in 1461 inlijfde.

In de zomer en herfst van 1465 bleef Mehmet thuis, in Topkapi, waar hij en zijn ministers, ‘allen mensen van cultuur’ volgens een tijdgenoot, zich omringden met geleerde filosofen en geografen,veelal Grieken. Hij bestudeerde Ptolemaeus’ Geographia en Almagest, een astrologische studie, in een Arabische vertaling. Hij had een grote bibliotheek, waarvan maar zestien belangrijke Griekse manuscripten bewaard zijn gebleven. De sultan onderhield dertig dichters aan zijn hof en schreef zelf tachtig gedichten, de meeste in het Turks en enkele in het Perzisch, de taal van de Ottomaanse literati. De Venetiaanse schilder Gentile Bellini maakte enkele jaren later een beroemd portret van de Veroveraar, nu in de National Gallery in Londen.

Na Mehmets ‘Renaissancejaar’ ging het de volgende zomer weer als voorheen – met oorlogen, tegen Venetië, in Anatolië tegen de opstandige stam van de Witte Schapen, en op de Krim, waar de laatste resten van de Latijnse beschaving ten onder gingen. In 1480 weerstond Rhodos een grote Ottomaanse aanval, maar Mehmets troepen veroverden datzelfde jaar wel Otranto, een havenstad in het zuiden van Italië. Die triomf was kort: het jaar daarop ging Otranto weer verloren, niet eerder dan na het overlijden van Mehmet, wat tot grote vreugde in Rome en op Rhodos leidde. De strijd om de troon tussen twee zonen van Mehmet zou het Ottomaanse rijk verzwakken.

John Freely, een Turkije-kenner die het leven van Mehmet II en het oorlogsgeweld in een koele, journalistieke stijl beschrijft, besluit met een rondleiding langs de gebouwen, moskeeën, begraafplaatsen, hamams die in Istanbul in de jaren van de Grote Turk zijn ontstaan. Hij sluit af met de inscriptie op het Imperial Gate van Topkapi, Mehmets belangrijkste monument: ‘Sultan van twee continenten en Keizer van de twee Zeeën, de Schaduw van God in deze wereld en de volgende, de Veroveraar van het kasteel van Constantinopel....’