Er was niets en er is nu niks

„De enige plekken die ik ken zijn een blauwe plek en een open plek in het bos”, schreef een lezer me, een jaar of tien geleden. Dit woord, plek, was toen in opmars, ten koste van plaats. Vooruitstrevende voetbalverslaggevers meldden dat PSV op de derde plek stond. Het werkte aanstekelijk, de schrijvende pers nam het over.

Tegelijkertijd werd de betekenis van het woord verruimd. Als je in de vorige eeuw zei dat ergens nog plaats voor iemand was, bedoelde je dat er ruimte was, om te zitten, aan het werk te gaan, te bewegen. Als je nu iemand in de tram hoort zeggen dat ‘hier nog plek is’, bedoelt hij dat er een plaats vrij is (zoals we vroeger zeiden). Plek moet je uitspreken als plik.

Ik heb er destijds een stukje over geschreven, niet droevig of mopperend, maar om vast te stellen dat de taal verandert. Een neutraal requiem voor een woord.

Hetzelfde gebeurt nu met niets. In hoog tempo wordt het vervangen door niks. In redevoeringen van politici, koppen in de krant, letterkundige teksten, overal: niks. Voor de woordenlijst van Van Dale, Hedendaags Nederlands in mijn computer die dateert van een jaar of drie geleden bestaat niks niet eens. Misschien werd het toen te volks, te plat, te gemeenzaam gevonden. Als voorbeeld geeft de lexicograaf: God schiep de wereld uit het niets. Vervang je het in deze context door niks, dan krijgt het een profane bijsmaak.

In hun betekenis doen niets en niks niet voor elkaar onder, maar naar de gevoelswaarde gemeten is niks sneller, directer, gemeenzamer, meer op de man af. En ook: nòg minder dan niets, en dus meer in overeenstemming met de tijdgeest. Wie over een jaar nog steeds niets in plaats van niks gebruikt, spreekt of schrijft een gedateerd proza.

Wat maak je je druk over een paar woorden, zult u misschien zeggen. Ik gebruik ze als voorbeelden. Dit stukje schrijf ik in een land waar mensen wonen die een taal spreken waarvan ik op z’n hoogst twintig woorden ken. Daarom heb ik een taalgids gekocht, een Wat & Hoe, van Kosmos Uitgevers, laatste druk, samengesteld in samenwerking met Van Dale Lexicografie ten behoeve van de moderne toerist.

De laatste keer dat ik in zo’n vademecum had gekeken was een jaar of vijfentwintig geleden toen ik me in Warschau door het leven moest slaan. Dat boekje had een naar het deftige neigende allure. Met een hoofse beleefdheid vroeg je een Pool de weg, bestelde je de maaltijd, vroeg je de rekening. Verder was er een apart hoofdstuk ‘Bij de dokter’, waaruit je kon leren welke vreselijke ziektes je tot dan toe bespaard waren gebleven.

Nu dit nieuwe boekje. Eerst het hoofdstuk ‘Ontmoetingen’. Het begint onschuldig, met ‘Mag ik u wat vragen?’ Al twintig regels verder is het ‘Laat me met rust’, dan volgt: ‘Hoepel op,’ en het eindigt met ‘Als u niet weg gaat, ga ik gillen’. We komen aan het volgende hoofdstuk: Iemand versieren. Het begint met een onschuldig ‘Ik vind het fijn om bij u te zijn’ en ‘Je hebt zulke mooie ogen’. De eerste aap komt uit de mouw. ‘Ik hou van je.’ ‘Ik heb niet zulke sterke gevoelens voor je.’ ‘Je lacht zo lief.’ ‘Blijf van me af.’ ‘Ik bel je morgen.’ Dan komt er nog een reeks zinnetjes voor de echte doorzetters, en eind goed al goed: ‘Dat was lekker’. Ik citeer uit de 36ste druk, 2008.

De sluipende verdrukking van woorden die ouderwets worden gevonden, of te formeel; het herschrijven van taalgidsen voor de postmoderne internationale verhoudingen; de taal van de bloggers die zich op internet uitputten in scheldpartijen en dreigementen, het zijn allemaal kanten van de grote mondiale informalisering die sinds het einde van de Koude Oorlog en de opening van de digitale snelweg aan de gang is.

Twintig jaar geleden bestond de geïndustrialiseerde wereld nog uit twee grote, zwaar bewapende dorpen, gescheiden door een muur. Met de val van de Muur zijn we aan een nieuw hoofdstuk begonnen waarin de mensen steeds gelijker zijn zonder broeders te worden.

    • H.J.A. Hofland