Eindelijk kan hij moeder vervloeken

Woorden schieten juist níet tekort om de gruwelijkheden in Allah is niet verplicht te beschrijven. Ze vormen juist de enige uitkomst.

Van alle romans die er over kindsoldaten bestaan, is Allah is niet verplicht van Ahmadou Kourouma misschien wel de beste. Dat is niet omdat hij de gruwelijkheden die de kindsoldaten ondergaan en begaan zo overtuigend neerzet. Dat is namelijk al eerder gedaan. En ook niet zozeer omdat Kourouma de gewelddadigheden in een historische context plaatst – hoe succesvol hij dat ook doet. Michiel Leezenberg wees er in zijn bijdrage al op dat de neokoloniale wereld, corruptie en machtsmisbruik alle aanwezig zijn. Feiten worden op een geslaagde manier met de fictie verweven, soms zelfs in korte geschiedenislessen. Maar de kracht van het verhaal is in de eerste plaats het taalgebruik, zoals ook Leezenberg terecht opmerkte. Alle registers worden opengetrokken alle platheden brutaalweg neergeschreven, zoals bijvoorbeeld Céline dat kon, schrijvend over een Europese oorlog.

De toon geeft het geheel een ironische en afstandelijke laag; de herhalingen werken bezwerend. Ze zijn dan ook niet storend, juist omdat ze vooral ontregelend werken. De woordenboekbetekenissen die hoofdpersoon Birahima namelijk bij veel woorden geeft, worden door de uitleg extra geaccentueerd. Het zijn vaak politiek beladen woorden of woorden waarin een emotie wordt weergegeven. Paf, zonder slag of stoot, rood worden van woede (iets wat ‘een neger niet zal gebeuren, zijn gezicht gaat strak staan’), het moreel verliezen: het zijn begrippen en clichés die worden uitgelicht en serieus gewogen.

Birahima verklaart de woorden niet opdat iedereen zijn verhaal kan begrijpen, maar laat juist zien dat we te gemakkelijk woorden plakken op gebeurtenissen of emoties. Hetzelfde geldt voor de herhalingen. Die komen aan het slot van Birahami’s ‘blabla’ nog het sterkst tot uiting: alles begint weer van voren af aan, het verhaal begint opnieuw, uitzichtloos is daarmee het einde. Het voornaamste dat Birahima heeft geleerd, is dat hij niet onder de vloek van zijn moeder meer hoeft te leven, maar haar zelf kan vervloeken. De laatste woorden van de roman zijn dan ook ‘Gnamokodé (fok m’n moeder)!’ En een andere ontdekking van hem: dat een geschreven geschiedenis net zo bezwerend kan zijn als een orale geschiedenis.

Toen Allah is niet verplicht verscheen heeft Kourouma in meerdere interviews uitgelegd dat hij het schreef nadat hij in 1994 in Somalië schoolkinderen had gesproken die hem verteld hadden hoe stammenoorlogen hun levens hadden beïnvloed. Hij moest hun verhaal opschrijven en het boek is dan ook aan hen opgedragen. Je zou daarom kunnen vrezen dat het een sentimenteel verhaal zou worden waarin de boodschap erin gehamerd wordt. En natuurlijk zít de boodschap er ook in: stop de waanzin. Maar die maakt de roman niet zwakker, integendeel.

Waarschijnlijk is dat omdat het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van een dader. Natuurlijk is Birahima een slachtoffer, maar hij is juist ook een dader. Het maakt niet uit of dat nu gedwongen is of niet. Tot een echte loutering komt het daarom niet, en dat heeft Allah is niet verplicht voor op veel andere romans van en over kindsoldaten. Je vraagt je af waarom we deze perspectiefkeuze in Nederland niet kennen. Romans over de Tweede Wereldoorlog vanuit het kindperspectief zijn er in groten getale. Kinderjaren van Jona Oberski werkte indertijd vervreemdend omdat de gruwelijkheden beschreven werden vanuit het perspectief van de onschuld. Maar ook verhalen waarin het draait om bijvoorbeeld NSB-kinderen worden in de Nederlandse (en grotendeels ook westerse) traditie verteld vanuit het perspectief van de onschuld, een perspectief dat gekozen wordt om meer inzicht te geven in de kwalijke buitenwereld.

Dat doet Kourouma niet. Birahima is niet een kind dat zijn onschuld verliest, hij is nooit onschuldig geweest: als klein kind al martelde hij zijn moeder door haar in haar zweren te prikken dat het een aard had. Wel is hij een kind dat het geloof verliest, het geloof in Allah, God of de fetisjman. Zeker de fetisjen spelen een belangrijke rol. Een zwerend been is eerder gebaat bij een fetisj dan bij een blanke arts, leiders zoeken een fetisj en, als fetisjen niet werken, een excuus voor alles wat ze maar kunnen bedenken. Ten tijde van oorlogen zijn de kerken vol, luidt een oude wijsheid. Bij Kourouma gaat dat ook op: ten tijde van zijn oorlogen vertrouw je op fetisjen omdat je maar beter ergens in kan geloven.

Birahima ontdekt dat geen enkel geloof soelaas biedt, waardoor uiteindelijk alleen de woordenboeken en de uitroep ‘Faforo (lul van je vader)’ overblijven. Woorden schieten hier dus niet tekort om de gruwelijkheden te beschrijven. Ze vormen juist de enige uitkomst, ontdaan van hun sentiment via het woordenboek en de vertelling van een schuldig kind.

Ahmadou Kourouma: Allah is niet verplicht. Vert. Mirjam de Veth. De Geus, 192 blz. € 15,90, € 12,90 met bon uit NRC of via nrc.nl/extra

    • Toef Jaeger