Een Griekse ruïne van plastic

De muziek van de Franse componist Pascal Dusapin, in Nederland niet vaak te horen, speelt een belangrijke rol op het Holland Festival. „In muziek doe je hetzelfde als in architectuur: werken met lijnen, verhoudingen, krachten.”

Pascal Dusapin Foto V. Thaureau / Editions Salabert Frans componist Editions Salabert

Prima la musica e poi le parole – eerst de muziek, en dan pas de woorden. Of toch andersom? Eeuwenlang was het een filosofisch twistpunt onder componisten en librettisten: wat was in een opera belangrijker: de tekst, of toch de muziek? Wie moest zich aan wie aanpassen?

Voor de Franse componist Pascal Dusapin (Nancy, 1955), die inmiddels zes opera’s heeft voltooid, is die klassieke tegenstelling geen issue meer. Hij stelt zijn libretto’s zelf samen uit bestaande teksten maar doet dat gelijktijdig met het schrijven van de muziek. Hij bewandelt dus een gulden middenweg. „De tekst brengt de muziek voort, en de muziek de tekst”, zegt Dusapin.

Het is goed te horen in zijn laatste opera Passion (2008); een zetting van het klassieke verhaal van Orpheus, de musicus die in de onderwereld afdaalt om zijn geliefde terug te halen. De tekst, met veel losse, poëtisch werkende fragmenten tussen „...”, komt uit verschillende opera’s van Claudio Monteverdi (1567-1643), de Florentijnse uitvinder van het genre. Maar Dusapin gaf het verhaal zijn eigen wending – bij hem weigert Euridice mee terug te gaan naar de bovenwereld. Orpheus blijft in plaats daarvan beneden. Vorm, maar ook sfeer en klank van tekst en muziek zijn op indringende wijze één.

Dit is voor Dusapin meer dan een elegante oplossing voor een oud dilemma. Voor een componist denkt hij bijzonder genuanceerd over de kracht van muziek als autonome kunstvorm. Muziek heeft het in onze tijd moeilijk om zelfstandig, zonder tekst, beeld of dans nog echt ‘actueel’ te zijn, vindt hij. Choreografen en schrijvers weten vaak veel beter aan te sluiten bij de moderne beleving van de wereld. „Ik houd erg van muziek”, zegt Dusapin. „Ik adoréér haar. Maar ‘zuivere’, in zichzelf besloten muziek? Ik denk dat de wereld daarvoor inmiddels te ingewikkeld geworden is.”

In zijn ‘atelier’ midden in het zesde arrondissement van Parijs, op enkele stappen van de drukke Boulevard du Montparnasse, liggen de boeken hoog opgestapeld – een stilzwijgend bewijs van zijn open houding ten aanzien van de wereld in het algemeen en de literatuur in het bijzonder. Achter een weinig uitnodigende dubbele voordeur en een kille marmeren gang blijkt een groen en idyllisch steegje te liggen, met een dorpse, haast Zuid-Franse allure. Links en rechts liggen atelierwoningen, waarvan de meeste inmiddels worden bewoond door niet-kunstzinnige ‘bourgeois’, constateert Dusapin met enige spijt. Alleen zijn bejaarde buurman was vroeger beeldhouwer.

Tijdens het Holland Festival worden twee

van Dusapins opera’s uitgevoerd, een ‘operatorium’ en enkele instrumentale composities. Hij is blij met die plotselinge aandacht uit een voor hem niet vanzelfsprekende hoek. „Het is vreemd hoe dat loopt met de muziek in Europa. Er zijn plekken waar ik regelmatig kom, in Duitsland bijvoorbeeld, en plekken waar ik bijna nooit kom.” Nederland is zo’n plek. De afgelopen vier jaar had hij er, zo leert navraag bij zijn uitgever, maar vier significante uitvoeringen: zijn vijfde strijkkwartet ging in première tijdens de opening van het Muziekgebouw aan ’t IJ in 2005, en verder werden orkestwerken van zijn hand uitgevoerd in Rotterdam en Maastricht.

De komende uitvoeringen lijken dus een verlate kennismaking met het werk van iemand die in eigen land tot de belangrijkste en meest uitgevoerde componisten behoort. Daarvan getuigen prijzen, compositieopdrachten, operaproducties en een leerstoel aan het prestigieuze Collège de France in 2007. Nog begin dit jaar besteedde de Parijse concertzaal Cité de la Musique een reeks van zes concerten aan Dusapin. Dezelfde eer was alleen aan de internationale topartiesten Ton Koopman en Marianne Faithfull gegund. Het is allemaal des te bijzonderder als je bedenkt dat Dusapin niet afkomstig is uit de kringen van de in Frankrijk oppermachtige Pierre Boulez en diens muziekinstituut IRCAM.

Dat hij in Nederland zo weinig te horen is, wekt ook verbazing bij beluistering van zijn opera’s – om een vrij specifieke reden. De gloedvolle concentratie en vurige uitbarstingen van de muziek, de rituele afwikkeling van de plot, en de van poëzie en symboliek overlopende teksten maken Dusapins werk bij uitstek geschikt voor enscenering door Pierre Audi, artistiek directeur van De Nederlandse Opera en het Holland Festival. Diens stijl, gekenmerkt door een grote ruimtelijkheid, de afwezigheid van opsmuk, het intensiveren van emotie door abstractie én detail, lijkt op voorhand haast een perfecte combinatie te vormen met Dusapins opera’s.

Dusapin bevestigt dat hij erg gelukkig is met de kans te kunnen samenwerken met Audi, al is het maar voor een ‘semi-staging’ van Passion. „Ik ken het universum van Audi al heel lang. Ik heb zijn werk altijd extreem intelligent gevonden, niet alleen wat de tekst betreft. Hij is een regisseur met een uitzonderlijk diep begrip van de muziek. Zijn interpretaties worden daardoor op een bepaalde manier haast metafysisch.”

Een andere opera van Dusapin

is op het festival te zien in een productie die zich elders al bewezen heeft. Medeamaterial, op een sombere tekst van Heiner Müller, werd door de Duitse choreografe Sasha Waltz tot de internationaal bejubelde voorstelling Medea bewerkt. De opera gaat over de verbolgen Medea, die uit ellende haar eigen kinderen doodt. De opera is vooral een tour de force voor de solosopraan, die wordt begeleid door een barokorkest op ‘oude’ instrumenten, wat de muziek iets kwetsbaars geeft.

Het woord ‘choreografie’ wil Dusapin in verband met deze productie niet horen, ook al wordt er veel gedanst: „Het is meer dan een choreografie. Het is een echte opera-enscenering. Natuurlijk, Sasha is choreografe, maar ze gaat veel verder dan een simpele dans. Haar benadering als choreografe lijkt op de mijne als componist.” Het creatieve proces, legt hij uit, richt zich niet puur op de noten of de danspassen, maar ook, of misschien wel meer, op alles daar omheen. „Bij Sasha’s voorstellingen kun je je afvragen of het dans is, theater, live-cinema. Dans heeft zich – meer dan veel andere kunstvormen – opengesteld naar de wereld, en daarmee een enorm expressief veld blootgelegd.”

Ondanks zijn grote bewondering

voor de moderne dans, is er één kunstvorm die Dusapin echt van wezenlijk belang voor zijn muziek noemt: de architectuur. Hij studeerde niet alleen compositie, maar ook ‘een beetje’ architectuur aan de universiteit. Het is een genetische kwestie, zegt hij, verwijzend naar zijn twee broers die architecten zijn.

Hij heeft van jongs af aan een fascinatie voor gebouwen, die hij direct verbindt met zijn werk als componist: „Ik heb altijd iets muzikaals in de ‘vragen’ van de architectuur herkend: hoe construeer je een gebouw, hoe organiseer je ruimtes, volumes, hoe maak je hoeken? In muziek doe je hetzelfde: werken met lijnen, verhoudingen, spanningen, krachten.”

Ondanks zijn genetische ‘voorbestemming’, verraadt Dusapin met deze woorden vooral de invloed van zijn leermeester Iannis Xenakis (1922-2001), Fransman van Griekse afkomst, en de beroemdste architect/componist. Xenakis ontwierp het legendarische Philips-paviljoen op de Expo van 1958, dat eruitzag als een tot gebouw geworden wiskundegrafiek (hoewel zijn baas Le Corbusier vervolgens met de eer streek), en componeerde muziek op basis van vergelijkbare modellen. Die zogenaamde ‘stochastische’ muziek bestaat vaak uit een rauw, fysiek verglijden van grote krachtvelden en kleurvlakken.

De invloed van Xenakis, bij wie Dusapin tussen 1974 en 1978 ‘esthetiek’ studeerde (en dus niet compositie of architectuur, benadrukt hij), is niet altijd duidelijk hoorbaar in zijn werk, tenzij algemeenheden als ‘afgewogen constructie’ of ‘gevoel voor lijn’ als bewijs mogen dienen. Maar vooral bij de kleinschaligere instrumentale composities springt hij toch geregeld in gedachte. Deze werken klinken vaak veel experimenteler en ‘modernistischer’ dan Dusapins muziektheatrale oeuvre. Neem de zeven geconcentreerde piano-etudes (te horen op YouTube; zoek op ‘Dusapin’), of het Trio Rombach (1997). Deze compositie voor viool, piano en cello is intens en abstract, met veel herhaalde tonen die soms haast willekeurig rondschieten als moleculen in een gas onder wisselende druk.

Toch wil Dusapin bij dit werk zelf liever een heel andere inspiratie benadrukken: het gaat ook over zijn herinneringen aan de volksmuziek uit Bulgarije, Hongarije, de Méditerranée. „Maar het is wel een intellectueel stuk geworden”, erkent hij. „Ik wilde weten hoe je zo’n muzikale herinnering in een compositie kunt integreren.”

Dat integreren doet Dusapin nooit met letterlijke verwijzingen. „Er zit geen enkel citaat in. Het is meer een kwestie van vorm.” Wel heeft de muziek – zoals in veel van zijn werken – een onmiskenbare neiging tot modaliteit: hij gebruikt een kleine selectie van tonen, die de muziek een specifieke ‘smaak’ en richting verleent. Ook dat is een kenmerk van veel volksmuziek. Maar nergens zul je bij Dusapin letterlijk een zigeunertoonladder horen.

In Passion zit ook geen enkele noot van Monteverdi, gaat hij verder. „Het is als een Griekse ruïne van plastic.” De stukjes quasi-monteverdiaanse klavecimbelmuziek die voorbijkomen, zitten bijvoorbeeld vol met muzikale ‘fouten’: verkeerde harmonische relaties, parallelle kwinten, overmatige kwarten. „Ik heb gecomponeerd als een beginner die Monteverdi probeert na te doen, en die alles verkeerd doet. Maar dan nog zijn er idiote recensenten die het hebben over Monteverdi-citaten”, zegt hij spottend. Hij is niet bang dat zijn ‘namaak’ kitscherig wordt. Het middel dient immers een hoger doel: „Het is opera”, roept hij, „theater!”

Wie Dusapins muziektheaterwerken

beschouwt, moet wel constateren dat hij geen vrolijke onderwerpen kiest. Naast Passion en Medea, beide gebaseerd op weinig opwekkende mythen, zal op het Holland Festival ook nog La Melancholia worden uitgevoerd, een ‘operatorium’ – een kruising tussen opera en oratorium (vroeger de kerkelijke, niet-geënsceneerde en niet-geacteerde variant van opera). In deze voorstelling combineerde Dusapin teksten over melancholie uit het werk van onder meer Shakespeare, Homerus en Chaucer.

Over de vraag of daar een autobiografisch element in zit, is hij kort. „Natuurlijk, er keren altijd wel dingen uit mijn leven in mijn werk terug.” Dusapin verloor enige tijd geleden zijn echtgenote, en het lijkt veelbetekenend dat hij nu een opera schreef over Orpheus, de legendarische musicus die zijn gestorven geliefde ging zoeken in de onderwereld. Hij knikt wat ongemakkelijk; vindt het onnodig daar verder commentaar op te geven.

Makkelijker spreekt hij over een werk dat op een andere manier verbonden is met de melancholie. Een van zijn recentste composities, Memory, is tevens zijn eerste werk voor orgel, en een hommage aan Ray Manzarek, toetsenist van The Doors. Dusapin zingt het intro van Light my Fire. „Ik speelde orgel toen ik een puber was. En ik hield – en houd – van deze muziek. Memory is een eerbetoon aan al die jonge musici die niet zo goed kunnen spelen, op de simpelste manieren improviseren, maar op die manier wel proberen iets te communiceren.”

Dusapin tijdens het Holland Festival: 10/6 Passion (Muziekgebouw aan ’t IJ); 19/6 La Melancholia, Galim (Muziekgebouw aan ’t IJ); 21/6 Trio Rombach, Memory e.a. (Orgelpark); 26/6 en 27/6 Medea (Carré). Info: www.hollandfestival.nl.