Een gelijkmatige onderduiker in een bordeel

Aharon Appelfeld: Bloemen der duisternis. Vertaald uit het Hebreeuws door Kees Meiling. Anthos, 264 blz. € 19,95

Hoewel Aharon Appelfeld (Czernowitz, 1932) een hekel heeft aan de benaming ‘Holocaustschrijver’, maakt de Israëlische auteur er geen geheim van dat zijn werk geïnspireerd is door zijn ervaringen als Joods kind in Oost-Europa kort voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nadat zijn moeder door de Duitsers was doodgeschoten, kwam hij met zijn vader in een werkkamp terecht. Hij wist te ontsnappen en zwierf twee jaar door het Oekraïense land, af en toe onderdak vindend bij boeren, prostituees of misdadigers. Na de oorlog vond hij zijn familie niet terug (al dook zijn vader jaren later alsnog op) en vertrok hij op een vluchtelingenschip naar Israël. Daar werd hij na een moeilijke start een succesvol auteur. De tientallen romans die hij geschreven heeft, hebben allemaal een aspect van zijn eigen ervaringen als uitgangspunt. Zo ook het pas vertaalde Bloemen der duisternis (oorspronkelijk verschenen in 2006).

Hoofdpersoon is de elfjarige Hugo, zoon van een Joods apothekersechtpaar in een ongenoemde stad, die lijkt op Appelfelds geboorteplaats Czernowitz. Hugo’s moeder bekommert zich om de minderbedeelden. Toch redt dat het gezin niet van de nazi’s. Hugo’s vader is aan het begin van het boek al gedeporteerd, zijn moeder zoekt wanhopig naar een schuilplaats voor haar zoon. De enige die bereid is hem op te nemen is haar oude schoolvriendin Mariana, die in een bordeel werkt. Na een nachtelijke tocht door het riool levert Hugo’s moeder hem af bij haar vriendin en vertrekt meteen om zelf elders onderdak te zoeken.

Hugo kijkt zijn ogen uit in de typisch vrouwelijke omgeving – groot bed, parfum, zijden kousen – die hij niet meteen kan duiden, maar meestal zit hij opgesloten in een koud zijkamertje. Door de deur heen hoort hij Mariana Duits praten en soms ruziemaken met mannen. Voor Hugo is ze echter altijd goed, ze geeft hem te eten en te drinken en soms mag hij ook bij haar in bed slapen. Wel drinkt ze te veel en heeft ze sombere buien die haar onbenaderbaar maken. Mariana behoort tot een veelvoorkomend type bij Appelfeld: de niet-Joodse vrouw die van Joden houdt. Ze vertelt Hugo dat ze liever Joodse mannen op bezoek zou krijgen, die zijn beschaafder en doen haar nooit pijn.

Hugo laat het zich allemaal een beetje aanleunen. In de anderhalf jaar dat hij bij Mariana verkeert, ontwikkelt hij zich van jongen tot man en voelt hij zich lichamelijk tot Mariana aangetrokken, al weet hij daar niet zo goed raad mee. De relatie tussen Mariana en Hugo is mooi subtiel beschreven, in Appelfelds sobere stijl, al wordt die door de wat houterige vertaling enigszins tenietgedaan. Maar Hugo’s gelijkmatige karakter maakt het voor de lezer soms moeilijk om na te voelen wat hij doormaakt.

Tot Hugo’s kamer dringen geruchten door dat de Duitsers ondergedoken Joden zoeken. Dat vervult hem met een vage angst, maar ook hier blijft hij kalm onder. Op de gruwelen die zich buiten afspelen wordt slechts gezinspeeld. Hier wreekt zich Appelfelds stelregel dat hij zo min mogelijk over slechte mensen en gruwelijke gebeurtenissen schrijft. Nu moeten we ons via de grotendeels sympathieke personages een beeld vormen van de onvoorstelbaarheden waar het boek eigenlijk over gaat. Die daardoor ook werkelijk onvoorstelbaar blijven.

Aan het eind van het boek zijn de Russen in aantocht. Mariana en haar collega’s zijn al die jaren Duitse soldaten ter wille geweest en dat zullen de Russen niet ongestraft laten. Hugo beseft nu dat zijn Mariana met Duitse soldaten het bed heeft gedeeld, maar dat lijkt hem nauwelijks te deren, en Mariana zelf evenmin. Dat maakt een ongeloofwaardige indruk.

Wel mooi is de rolwisseling die Hugo ondergaat. Nu is Mariana in gevaar en moet hij haar beschermen. Dat doet hij, als een echte man, tijdens een bijna idyllische vluchtpoging. Mariana kan hij er echter niet mee redden, en zo blijft hij alleen achter, gered, maar eenzamer dan ooit.