Een beetje knijpen, trekken, rats!

Anton Valens schreef een sprankelende novelle over de kloof tussen mannen van de logica en die van de gewoonte. Onheil treft alle partijen.

Vissers halen netten binnen Foto Dirk-Jan Visser {photog} {city}: {iptcdate} Schipper Jan Keijzer en zijn knecht Winfried Butter van de VD 119 zijn een van de laatste Paling vissers op het Ijsselmeer. Daar de achteruitgang van de paling stand en strenge regelgeving van het ministerie kunnen veel bedrijfen het hoofd niet boven water houden. De gebroeders Keijzer hebben naast de vangst een vishandel opgezet om de tussenhandel uit te schakelen. Visser, Dirk-Jan

Anton Valens: Vis. Augustus, 144 blz. € 15,-

Je zou zeggen dat het de vrijheid is. Met een paar kerels een week de zee op, vissen tot het ruim van de kotter vol platvis zit, blauwe luchten, zout op de huid, weidse uitzichten, tegen het weekend weer naar huis. En daar een visje bakken.

Zo althans is de voorstelling van de naamloze verteller in Anton Valens novelle Vis. Valens (1964) oogstte eerder lof met zijn de roman-in-verhalen Meester in de hygiëne (over de thuiszorg) en publiceerde ook een boek over China, maar heeft zichzelf met het sprankelende Vis overtroffen.

Het boek draait om een jonge, werkloze kunstenaar die besluit zijn vriend, een gesjeesde student genaamd Fred, een week te volgen op wat inmiddels diens hoofdactiviteit is geworden: werken op de kotter van zijn vader. Voeg daarbij de hoofdstedelijke verveling van de hoofdpersoon en het besluit is snel genomen.

Zo meldt de aspirant-kunstenaar zich bij kapitein Warmgeffer (precies de reus die je je bij die naam voorstelt) op de DH731 voor een vijfdaagse tocht vanuit Lauwersoog, vanwege Warmgeffers ‘fixatie op de Duitse bocht, waar naar het scheen in dat seizoen goede vangsten te behalen waren’. Overige bemanningsleden: Martin, de zwijgende motordrijver van de boot en Addie, een jonge, onbehouwen visser die in een constante strijd gewikkeld lijkt met kapiteinszoon Fred. Verder zijn er veel slavinken, wat bedden en staat er een mand met pornoblaadjes. Van enige vorm van decorum is verder geen sprake.

Vijf mannen in een boot (vier aan het eind, trouwens); het lijkt een hele toer om daar 140 bladzijden mee te vullen. In het eerste deel van de novelle kijkt Valens’ schilder vooral zijn ogen uit. Naar de navigatieapparatuur van Warmgeffer, de netten, de lier en de ‘striptafel’ waar de net gevangen vis zonder veel omhaal van zijn ingewanden wordt ontdaan. Wat dat betreft moet de buitenstaander nog veel leren, blijkt wanneer Addie hem de finesses van het levend strippen uitlegt: ‘Kijk, je hebt ’m goed vast en je drukt met je duim, hiero, bij dat vinnetje, snap je? Dan krijg je een bobbeltje, een heuveltje, zie je? Dat benne z’n darmpies. Effe insnijen aan de onderkant, een beetje draaien met je mes, een beetje knijpen, trekken, rats! Alles d’r uit!’

Deze uitleg is meteen een van de grootste hoeveelheden taal die de vissers voor hun gast over hebben: meestal communiceren ze in losse woorden of nog minder dan dat: klankcombinaties. Daartegenover staat de uiterst zorgvuldige, onderzoekende toon van de verteller: ‘Tong versus krab: ik was getuige van een titanengevecht tussen een enorme witte tong en een gigantische Noordzeekrab. Blijkbaar had het niet zo geboterd tussen de twee terwijl ze verstrikt waren in het net en was het tot vijandelijkheden over en weer gekomen.’ Zo accentueert de stijl waarin Vis wordt verteld, de kloof tussen de hoofdpersoon en zijn omgeving, in alle opzichten: de andere mannen, de vissersgewoonten, de natuur. Alles is hem vreemd, maar alles wil hij begrijpen, het liefst volgens de wetten der logica. Zo definieert hij zijn eigen positie op een gegeven moment als die van least preferred coworker, een begrip dat hij uit een managementboek kent, maar dat zo ver van de vissers staat dat het zijn onbegrip van de situatie alleen maar accentueert. Want die mannen willen helemaal niets begrijpen, ze moeten iets doen. En hun hersenen volgen niet de wetten der logica, maar die van de gewoonte.

Het is een van de vele sterke punten van Vis. Want dat het mis zal gaan met deze boomkorkotter zal geen verrassing zijn, maar Valens bouwt de spanning prachtig op. Niet door zijn vissers tot het kookpunt te brengen, maar door steeds meer aandacht te vestigen op de smerigheid aan boord, de hitte, de dieselstank, de ingewanden van de vissen, de vetsporen op de ramen in de keuken en vooral het nooit aflatende gedreun van de motor. Voeg daarbij de ontdekking dat er eigenlijk geen tijd is om te slapen (elke anderhalf uur moeten de netten worden opgehaald) en de DH731 krijgt steeds meer weg van een hel op zee.

Het onheil wordt daardoor vanzelf onvermijdelijk. Valens velt het vonnis over zijn bemanning – en zeker ook over zijn hoofdpersoon – in een fraaie tweetrapsraket: het wankele evenwicht aan boord wordt verstoord door een controle, waarna een paar hele en halve toevalligheden tot een vreselijke afloop leiden.

Het slot vestigt vooral de aandacht op sociale verschillen en uitsluiting als thema’s van deze voorbeeldige novelle. Het knappe van Vis is dat Valens niet bezweken is voor de verleiding om die moraal er zo dik op te leggen dat er een kleffe parabel zou ontstaan. Hij houdt de toon van het boek tot het laatst verwonderd en subtiel, en dat maakt dat Vis niet alleen leest als een trein, maar dat je op het moment dat DH731 de haven weer binnenvaart je meteen weer terug wilt naar het eerste bladzijde van deze reis van kapitein Warmgeffer en zijn kotter.

    • Arjen Fortuin