Dromen van gezamenlijkheid

In een combinatie van geschiedschrijving, juridische exegese en wensdenken, onderzoekt filosoof Luuk van Middelaar het wezen van Europa.

Europa bij nacht Foto NASA Undated visualization picture from Nasa shows a view of Europe at night. A sudden weekend surge in demand for electricity in Germany due to freezing weather plunged late 04 November 2006 much of Europe into blackness as France and other power exporting countries found their grids overtapped. The power outage nearly caused an unprecedented Europe-wide blackout, energy supply companies said. AFP

Luuk van Middelaar: De passage naar Europa. Geschiedenis van een begin. Historische Uitgeverij, 531 blz. € 35,-

De Franse president Mitterrand (1981-1995) noemde het Europees Parlement een nul, een instituut dat in nog geen honderd jaar legitiem zou worden. De Europese kiezers, die tussen 4 en 7 juni voor de zevende maal naar de stembus mogen, lijken dit oordeel in toenemende mate te onderschrijven. In 1979, bij de eerste verkiezingen voor het Europees Parlement, ging nog tweederde van het electoraat stemmen. Vijf jaar geleden was dat inmiddels minder dan de helft. Volgens de prognoses zal ditmaal nog ongeveer een derde deel van de kiezers meedoen.

Vanwaar dit gebrek aan belangstelling? Luuk van Middelaar geeft in De passage naar Europa, het proefschrift dat hem op 13 mei in Amsterdam de doctorsgraad bracht, een overtuigend antwoord op die vraag. Het publiek voelt intuïtief aan dat het Europees Parlement geen echt parlement is, schrijft hij.

Een volksvertegenwoordiging die deze naam verdient, beschikt over het uiterste machtsmiddel: de mogelijkheid om de regering weg te sturen. Het Europese Parlement kan de Europese Commissie ontslaan, maar dit laatste orgaan heeft slechts de taken van initiatiefnemer en uitvoerende instantie. De echte macht in Europa berust bij de Europese Raad van regeringsleiders, een besluitvormend lichaam dat onaantastbaar is voor de Straatburgse volksvertegenwoordigers. De positie van deze machthebbers is afhankelijk van de nationale kiezers, die een eigen parlement kiezen dat wél de mogelijkheid heeft de regering te ontslaan. Het Europees Parlement pretendeert te spreken namens de Europese burgers, maar die bestaan niet. Europa telt vele natiestaten, maar heeft geen burgers: deze ingezetenen zijn de burgers van de staten. Zo kan de schrijver van De passage naar Europa in zijn karakteristieke stijl, vol zwierig venijn, concluderen: „Het Europese Parlement is geen volkstribuun die de machthebbers uitdaagt. Het lijkt eerder een hofmusicus, op zoek naar aandacht van de prins – omdat achter de prins het publiek zit.”

Van Middelaar, politiek columnist van deze krant, is een man van de vrije vorm, een generalist die met groot gemak geschiedschrijving, politieke essayistiek, filosofische bespiegeling en juridische exegese combineert. In zijn boek over zestig jaar Europese samenwerking (de ondertitel Geschiedenis van een begin is een geval van misplaatste bescheidenheid) legt hij afwisselend de nadruk op een van deze genres. In een wervelend betoog doet hij een originele en geslaagde poging om de stammenstrijd tussen ‘federalisten’ en ‘intergouvernementalisten’ te ontstijgen. Het Europa dat de afgelopen zes decennia vorm heeft gekregen laat niet het verhoopte succes zien van een hecht federaal verband. Maar het is evenmin vol te houden dat de natiestaten nog steeds alles voor het zeggen hebben. Van Middelaar komt met een vondst. Volgens hem is noch de ‘binnensfeer’ van de gemeenschappelijk instituties noch de ‘buitensfeer’ van de staten bepalend voor het onderlinge verkeer tussen de Europese naties. Essentieel is een ‘tussensfeer’ waarin de leiders van deze staten, verzameld in de Europese Raad, een gezamenlijkheid hebben ontwikkeld die een beschavende invloed heeft op hun onderlinge gedrag en die garant staat voor de welvarende binnenmarkt. Het machtsdenken, de wil nationale belangen na te jagen, wordt getemperd door de bereidheid altijd weer aan tafel te blijven zitten om tot een gezamenlijk standpunt te komen.

Van Middelaar schetst in het eerste deel van zijn boek hoe de tussensfeer in de loop van de jaren steeds meer invloed heeft gekregen op de binnensfeer van de gemeenschappelijke instituties en regels. Met als belangrijkste gevolg dat deze binnensfeer op haar beurt weer meer gezamenlijkheid in de tussensfeer afdwong. In zijn institutioneel-juridische betoog laat de auteur zich verleiden tot omtrekkende bewegingen die vooral dankzij zijn stilistische kwaliteiten goed verteerbaar blijven. Veel bondiger is het tweede deel, dat Europa’s confrontatie met de mondiale verhoudingen beschrijft. Van Middelaar laat zien hoe externe ontwikkelingen, van de Suezcrisis in 1956 tot de ineenstorting van het Sovjetrijk in 1989, de Europese samenwerking hebben beïnvloed.

Urgentie

De realist Van Middelaar wordt hier soms in de weg gezeten door de verkondiger van gezamenlijkheid. Met goede reden schrijft hij dat de opdracht tot verbondenheid in de buitenlandse en defensiepolitiek vooral urgentie kreeg na de Koude Oorlog, de periode waarin de Europese lidstaten hun veiligheid in handen legden van de Verenigde Staten. Minder voor de hand liggend is zijn bewering dat de ‘dwang van de onderhandelingstafel’ ook op dit terrein groeiende overeenstemming bracht. In menig crisis was het immers verdeeldheid troef, zoals begin jaren negentig in de kwestie Joegoslavië en tijdens de Amerikaanse invasie in Irak van 2003.

Typerend voor de al te zonnige kijk die Van Middelaar op dit probleem heeft, is zijn beschrijving van de NAVO-actie in de crisis over Kosovo (1999). Volgens hem nam Europa toen revanche op de machteloosheid en verdeeldheid van enkele jaren eerder in Bosnië, door ditmaal ‘regionale verantwoordelijkheid’ te tonen. In werkelijkheid ondernam niet de Europese Unie, maar het Atlantische bondgenootschap actie. En dit militaire optreden was alleen mogelijk doordat de daadkrachtige Amerikaanse minister Madeleine Albright het tegenstribbelende Duitsland dwong politieke steun te geven aan een luchtaanval op Servië.

Van Middelaar ziet de moeilijkheden wel die de vorming van een Europese buitenlandse politiek belemmeren, maar schrikt terug voor conclusies die te veel afbreuk zouden doen aan zijn gezamenlijkheidsthese. Toch lijkt het laatste en beste deel van zijn boek een correctie aan te brengen op dit uitgangspunt. Onder de titel De zoektocht naar publiek probeert Van Middelaar uit te vinden waarom zoveel Europeanen ‘Brussel’ als een buitenlandse bezettingsmacht ervaren en niet als een essentieel deel van henzelf. De vraag wat de obstakels zijn voor een Europees ‘wijgevoel’ , beantwoordt Van Middelaar als politiek filosoof, een hoedanigheid waarin hij zich al eerder onderscheidde met zijn eersteling Politicide (1999). Een wijgevoel zit van binnen, zo schrijft hij, het is een kwestie van collectieve zelfrepresentatie: burgers moeten zichzelf als Europeanen beschouwen. Als je thuiskomt uit Bejing of Los Angeles, besef je meestal heel goed dat je Europeaan bent, dat wil zeggen anders dan de Chinezen of de Amerikanen. „Maar dit gevoel schijnt een zweem, een flard die snel wegvalt tegen een oogverblindende diversiteit aan talen, naties, staten.” De essentie van de Europese identiteit is de historische, geografische en taalkundige verscheidenheid die deze identiteit vergruist.

och is er nog andere weg naar een Europese identiteit mogelijk, aldus Van Middelaar, namelijk die van de betrokkenheid bij een publieke zaak. Het Europese Parlement is het instituut dat aan dit collectieve engagement gestalte zou moeten geven, maar het mist de macht om een stempel te drukken op de Europese besluitvorming. Van Middelaar schrijft: „Het wijgevoel laat op zich wachten.”

Optimisme

Maar de conclusie van zijn boek heeft een geheel andere strekking. In dat slot geeft hij blijk van een hoop en verlangen die zijn optimisme over de gemeenschappelijke buitenlandse politiek nog overtreffen. Zowel in de verdere uitbreiding van de Europese Unie als in de mondialisering ziet hij mogelijkheden voor een verdieping van het Europagevoel. Pas als de Europese Unie is voltooid en 35 tot 40 leden telt, zo schrijft hij, kunnen de Europese burgers werkelijk zeggen: wij zijn Europeanen. Ook de mondialisering kan volgens hem functioneren als aanjager van een hechter Europees verband dat binnen een wereld van verdwijnende grenzen voor houvast zorgt.

Zelfs de opwaardering van nationale parlementen binnen EU-verband, waarmee in het herzieningsverdrag van Lissabon (2007) een begin wordt gemaakt, ziet hij als een kans om de cohesie in Europa te versterken. Dat de positie van het Europees Parlement door deze maatregel nog minder stevig zal worden dan al het geval is, valt volgens Van Middelaar in het niet bij het voordeel dat het verband van de gezamenlijke lidstaten zal worden versterkt door ook hun volksvertegenwoordigingen in de tussensfeer te integreren.

Is dit de werkelijkheid van de Europese actualiteit of het dromenland van de gezamenlijkheid? Het is de auteur niet ontgaan dat Europa in toenemende mate het doelwit van klagende kiezers is geworden. Op vele fronten doet zich een renationalisatie voor, vooral als reactie op de uitbreiding en de mondialisering die Van Middelaar als kansen voor een hechtere integratie ziet. Veelzeggend is dat landen als Duitsland en Nederland, decennia lang voortrekkers van een federale gemeenschap, sinds ongeveer vijftien jaar meeloper, respectievelijk koploper van het euroscepticisme zijn geworden. Maar Van Middelaar lijkt te willen zeggen: de gezamenlijkheid is een roeping die al zo lang gehoor vindt, dat zij ook op de toekomst een stempel zal drukken.

Deze portie wensdenken is graag gegund aan een auteur die met zijn Europa van de drie sferen een nieuw en overtuigend vergezicht opent op de sterke en zwakke kanten van het Europese project.

    • Ronald Havenaar