Drink je eigen bloed

In de ‘Kirche der Angst’ bezweert de Duitse kunstenaar Christoph Schlingensief zijn longkanker met gestileerde rituelen. „Ik draag mijn eigen dodenmis op.”

" Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir " eine Fluxus-Oratorium von Christoph Schlingensief bei der Ruhrtriennale, Geblaesehalle Duisburg. Urauffuehrung: 21. September 2008. Darst.: Friederike Harmsen, Karin Witt und Komi Mizrajim Togbonou u.a.. Regie + Konzept: Christoph Schlingensief. Buehne: Thomas Goerge, Thekla von Muelhei. Kostueme: Aino Laberenz. Licht: Voxi Baerenklau. Video: Heta Multanen. Dramaturgie: Carl Hegemann. Festival: Ruhrtriennale 2008. No model release. Copyright: © david baltzer/bildbuehne.de. Baltzer, David;Bildbühne

Dankzij de meterslange kussens zijn de kerkbanken minder hard dan in een echte kerk. We krijgen ook meer beenruimte dan in een echte kerk. Linksboven ons hoofd een monstrans, een reliekhouder, met een röntgenfoto van een long. Aan de zijkant monitoren met ook longfoto’s. Door het beeld gaat een potlood dat witte plekken aanwijst. Uitzaaiingen, kanker. Boven het podium een spandoek: „Wie zijn wonden toont, zal genezen. Wie zijn wonden verbergt, zal niet genezen. Joseph Beuys”.

Een van de opzienbarendste voorstellingen op het Holland Festival dit jaar is Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir (‘Een kerk van de angst voor de vreemde in mij’). Met dit totaalspektakel, dat de vorm heeft van een kerkdienst, probeert de Duitse kunstenaar Christoph Schlingensief zijn longkanker te bezweren: „Ik draag mijn eigen dodenmis op.” Het is een merkwaardige, voorbarige begrafenis omdat de betreurde nog leeft, en zelf de regie voert. Hij draagt zijn mis dan ook op „aan de toekomstige gestorvenen.”

De voorstelling begint met versnelde filmopnames van een dode haas in ontbinding. Eerst zie je de huid druk bewegen, dan barst hij open en zie je duizenden maden woelen. De haas staat voor de gedaanteverwisseling. Daarna komt de familie van een gestorvene samen, moeder, tante, broer; om de beurt lezen ze aantekeningen van de dode voor. Om de beurt spelen ze de stervende of de dode. Dan volgt de kerkdienst, gebaseerd op de katholieke heilige mis. Op doeken aan weerszijden van de zaal, en over het podium heen worden allerlei films geprojecteerd. Er zit een super-8-filmpje tussen van een jongetje met zijn ouders aan het Oostzeestrand. De mooie jeugdherinnering. Ook een filmpje uit 1966 waarin de jongen, iets ouder, speelt dat hij zichzelf fusilleert. Ditzelfde jongetje zien we, tweeënveertig jaar later, op onscherpe video, op zijn ziekbed liggen. Huilend smeekt hij tegen onzichtbare verpleegsters of artsen: „Bitte nicht beruhen, bitte nicht beruhen.”

Die laatste, felrealistische opname, bijna te pijnlijk om naar te kijken, is een uitzondering. Andere kunstenaars die hun eigen terminale ziekte als onderwerp namen, zoals fotograaf Ed van den Elsken, deden dat doorgaans in een realistische, documentaire vorm. Maar Schlingensief verpakt de ziektegeschiedenis stevig in gestileerde, surrealistische rituelen, vaak moeilijk te duiden.

De delirante voorstelling zit vol zwarte gedachtes, woede, wrok, wanhoop, maar ook vol humor, momenten van verzoening en liefde voor het leven. Schlingensiefs openingsgebed klinkt als een verbitterde verwerping: „En Jezus is er toch niet. En God is er ook niet... Het is allemaal helemaal dood”. En ook als een mengsel van boos verzet en berusting: „Ik wil het niet/ Ik zal zo zijn/ maar ik wil het niet/ Amen”.

De Kirche der Angst is een onbevattelijk

bombardement van beelden, dat doet denken aan wat een Duitse kunstbobo over Schlingensief schreef: „Hij gelooft dat uit het delirium een hogere vorm van luciditeit kan voortkomen dan uit een coherent betoog”. Op het draaiende podium staat een bonte cast van zo’n zestig, zeventig acteurs, zangers, musici en gehandicapten. De voorstelling zit stampvol symbolische beelden, waarvan een omgekeerde processie misschien wel het indringendste is: onder leiding van een bejaarde dwergvrouw met een mijter met stralenkrans en een gouden kazuifel, verlaat de stoet achterstevoren lopend door het middenpad de kerk. Het doet denken aan een zwarte mis, waarin katholieke rituelen ook worden omgedraaid. In de processie loopt een Afrikaans gospelkoor mee, met prachtige vlechtwerken op de hoofden. Bij hen geen twijfel aan God. „We’re marching in the Light of God”, zingen ze. De dwergbisschop met de mijter vraagt aan een grote Afrikaanse man: „Vader, wat is het eeuwige leven?” Hij antwoordt met een harde, Tarzan-achtige oerkreet.

Schlingensief, die overigens nooit heeft gerookt, maakte de voorstelling in de herfst van 2008, voor het festival Ruhrtriennale in Duisburg, toen hij doodziek was van de chemotherapie. Drie weken geleden was de voorstelling wederom te zien, op het Berlijnse Theatertreffen. Na afloop van de voorstelling in Berlijn heeft Schlingensief in de lobby een korte ontmoeting met journalisten uit Nederland; dat is bijna nog indrukwekkender dan de voorstelling. Grijs punkhaar, klein kinbaardje, olijke kop. Hij wil al enige tijd geen chemotherapie meer. Zijn linkerlong is verwijderd, daarna kreeg hij uitzaaiingen in zijn rechterlong, maar hij maakt een opgewekte, levendige indruk. Hij lijkt eerder op een kerngezonde man van dertig dan op een terminaal zieke van 48 jaar. In de zomer gaat hij trouwen, zo verkondigt hij. Als hij weg is, zegt Pierre Audi, artistiek leider van het Holland Festival: „Hij heeft meer energie dan wij allemaal bij elkaar.”

De Nederlandse delegatie zit er wat bedrukt bij. De vitaliteit van een terminaal zieke is indrukwekkend, maar ook somber stemmend. De lust tot meepraten, of zelfs tegenspreken, ontgaat je. Vooral als Schlingensief zegt dat zijn uitzaaiingen zijn verdwenen dankzij de antroposofische maretaktherapie. Maretak, een halfparasiet die op bomen leeft, werd vroeger in stallen gehangen om boze geesten te verdrijven.

Eerder, in een vraaggesprek voor de VPRO-televisie, vertelde Schlingensief: „In februari vorig jaar hoorde ik dat ik longkanker had. Ik kwam in het ziekenhuis terecht, mijn long is eruit gehaald, ik heb bestraling en chemotherapie ondergaan. Ik lag daar zo alleen. Toen heb ik heb al mijn gedachtes in een dictafoon ingesproken, bij elkaar zo’n 450 tot 500 kantjes. Die heb ik gebruikt als materiaal voor verschillende voorstellingen en een boek.

„Steeds cirkel ik weer rond die treurige vraag: wat is het als je niet kan ingrijpen, als je een ziekte heb en niet weet hoe die zal verlopen? Ik weet niet hoe ik in de werkelijkheid kan terugkeren. Werken helpt, het is goed om erover te praten en niet alles voor mezelf te houden. Door voorstellingen over mijn ziekte te maken, probeer ik steeds weer te voelen dat ik nog hier ben, waar ik ben, wie ik ben. Ben ik er nog? Of rest mij alleen grote onverschilligheid? Hoe zal het morgen zijn? Mijn grootste angst is dat ik niet meer kan werken. Joseph Beuys zegt: ‘Ik wil al mijn angsten tot een sculptuur kneden, zodat ik er naar kan kijken’.”

De Kirche der Angst is volgens Schlingensief ook goed te volgen voor mensen die nog nooit in een kerk zijn geweest. „Ik maak zelf rituelen, die iedereen kan herkennen. Ik ben katholiek opgegroeid. De horror begon toen ik op mijn zesde misdienaar werd. Ik heb me van de kerk afgekeerd, maar ik geloof nog wel in God. Alleen niet als oude man met een baard. Ik probeer met de mis uit te drukken wat ik niet begrijpen kan. De mis is ook mijn gevecht tegen God, tegen Jezus, tegen religie, tegen mijn ouders.

„Het gaat om de schuldvraag. Ben ik schuldig? Wie is er schuldig? En als er niemand schuldig is, hoe zit het dan met God? God heeft het leven geschapen, maar hij heeft er geen bevredigend einde voor bedacht. Hij is als de kunstenaar die zijn kunstwerk onvoltooid heeft achtergelaten, en weigert er verantwoordelijkheid voor te nemen.”

In de preek zegt Schlingensief dat de kanker een aanslag op zijn autonomie is. Hij kan niet meer vrijelijk over zichzelf beschikken. Blijf autonoom, is zijn boodschap: besluit zelf, drink je eigen bloed. Volgens hem zei Jezus aan het kruis helemaal niet: „Mijn God, waarom heeft u mij verlaten”. Dat zou veel te lijdzaam zijn. Volgens hem riep Jezus aan het kruis: „Ik ben autonoom!”

In zijn nieuwe werk wil Schlingensief

het over zichzelf hebben, maar dat is niet zijn uiteindelijke doel. Hij benadrukt de algemene geldigheid van zijn voorstelling. Hij wil toeschouwers, en niet alleen kankerpatiënten, troosten en vooruit helpen, en oproepen vast te houden aan hun zelfbeschikking: „Nu ik kanker heb, kan ik het in mijn werk alleen maar over mij hebben. Ik kan het niet meer over de Derde Wereld hebben. De voorstelling helpt mij, maar ook anderen. Ik zie steeds meer kanker om me heen. De maatschappij maakt ons ziek. Iedereen heeft een bepaalde levenslijn die hij moet volgen. Je kunt daar van afwijken, maar alleen binnen een bepaalde tolerantiezone rondom die lijn. Als je echter geen idee heb wat je levenslijn is, word je alle kanten opgeworpen. Dat is wat er steeds vaker met westerlingen gebeurt.”

Schlingensief noemt het werk een ‘Fluxus-Oratorium’: een verwijzing naar Fluxus, een kunststroming uit de jaren zestig die beroemde kunstenaars voortbracht als Joseph Beuys – die veelvuldig in de voorstelling wordt geciteerd – en in ons land Mischa Mengelberg en Wim T. Schippers. Fluxus was een beweging die het leven van de kunstenaar zelf als kunstwerk beschouwde. De kunstenaars uitten zich in ‘acties’: ontregelende performances waarin muziek en beeldende kunst samenkwamen. Ook Kirche der Angst zit vol muziek, vooral een scheurend kerkorgel met woeste drums eronder, als in een uit de hand gelopen beatmis. De schokkerige zwart-witfilms en houtje-touwtjevormgeving van de Kirche der Angst doet ook aan Fluxus-kunst denken. Verder gebruikt Schlingensief het Latijnse begrip in zijn letterlijke betekenis: ‘reinigende stroom’. De slotdoxologie van het eucharistisch gebed, dat voorafgaat aan de communie, het ritueel eten en drinken van Gods vlees en bloed, besluit hij niet met „Amen” maar met de feestelijke acclamatie: „Fluxus!”

Schlingensief hergebruikt in de Kirche der Angst beelden uit eerdere voorstellingen, zoals de kruisiging van een misvormde, uit de film Fremdverstümmelung die hij maakte voor de opera Freax, maar die niet werd gebruikt omdat hij over zijn regieconcept onenigheid kreeg met componist Moritz Eggert. Door al de verwijzingen krijgt de voorstelling ook iets van een testament: voor de laatste maal bladert Schlingensief door zijn oeuvre en vraagt zich af: wat heeft het opgeleverd?

Opvallend zijn de verwijzingen naar Parsifal, de opera van Richard Wagner die Schlingensief in 2004 en 2005 regisseerde op de Bayreuther Festspiele. De film met de ontbinding van de dode haas komt uit Parsifal, evenals de opname van een zwarte priester met een hertengewei die een miskelk in de lucht tilt voor de consecratie. Schlingensiefs Parsifal zorgde voor enige deining in Bayreuth, onder meer omdat hij de opera opfleurde met allerlei voodoorituelen.

Net als de Kirche der Angst is Parsifal muziektheater over ziekte en verlossing, overladen met christelijke symboliek: in navolging van Jezus – Imitatio Christi – heeft Amfortas, koning der graalridders, een ongeneeslijke wond in zijn zijde. Parsifal geneest hem door de heilige speer die Jezus ooit doorstak, tegen de wond aan te drukken.

Ook in Schlingensiefs perceptie

van zijn longkanker speelt Parsifal een beslissende rol: „Steeds probeer ik weer te bedenken: wat voor zonde heb ik begaan? Ik heb dingen gemaakt die niet bij mijn leven horen. Toen ik Parsifal ging regisseren, had ik nog nooit een opera gedaan. En dan meteen naar Bayreuth, het allerhoogste. Ik was doodsbang. Ik ben in Bayreuth geflipt. Ik heb geschreeuwd, ik heb me misdragen, ik heb de extremen opgezocht, ik heb een opera gemaakt uit innerlijke onmacht. Als je twee weken lang met je wijsvinger op hetzelfde plekje op je wang blijft drukken, krijg je daar vanzelf een wond. Dat is wat ik in Bayreuth heb gedaan. Ik heb mezelf beschadigd, en zo de kanker een kans gegeven.”

Wagner zei over de religieuze symboliek van Parsifal: „Wanneer religie kunstmatig is geworden, heeft kunst de taak om haar te redden. Kunst kan de symbolen die de religie ons letterlijk wil laten nemen, weer overdrachtelijk maken, en zo de diepe waarheden ervan onthullen.” Schlingensief zou het beamen: „Beter dan religie, kan kunst de mens naar zijn ware ziel voeren.”

‘Eine Kirche der Angst’ is van 5 t/m 8 juni op het Holland Festival te zien, in de Westergasfabriek, Amsterdam. Inl: www.schlingensief.com. Kaartjes: (020) 523 7787 of www.hollandfestival.nl.

    • Wilfred Takken