Dichtende maagd

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, het ‘achterbuurtsche’ leven van Alice.

Manu van der Aa: Ik heb de liefde liefgehad. Het leven van Alice Nahon. Lannoo, 328 blz. € 22,50.

Alice Nahon was voor mij niet veel meer dan een naam. Wel eens van gehoord, nooit iets van gelezen. Ik zou geen titel kunnen noemen, geen enkele regel kunnen opzeggen. Tijd dus voor een eerste kennismaking, met behulp van de biografie Ik heb de liefde liefgehad. Om er meteen achter te komen dat zij een miljoenendichteres was geweest. Tijdens haar korte leven (1896-1933) verschenen drie bundels, met de fijne titels Vondelingskens (1920), Op zachte vooizekens (1921) en Schaduw (1928). Er werd een kwart miljoen exemplaren van verkocht. Een dichteres met een motto: „’t Is goed in ’t eigen hert te kijken / nog even vóór het slapen gaan.” Een dichteres met een bijnaam: het Bloemeken van Vlaanderen. En een dichteres met een imago: het tuberculosedichteresje, het weemoedige kwijnmeisje dat vele jaren in sanatoria moest doorbrengen, een vroom maagdje dat wist dat ze jong zou moeten sterven. Alles droeg bij aan dit beeld. Haar verzen: „Al komt soms iets zonnigs, / dat lachen me doet. / Toch komt er véél meer, / waarbij weenen ik moet.” Haar portretten: een verstild, peinzend, in zichzelf gekeerd meisje. Bij haar overlijden werd zij herdacht als een heilige: „die kleine moeder van smarten, die tevens de eenvoudige zangster der liefde is geweest.”

Nu voelt u vast wel aankomen waar het in deze biografie naartoe gaat: naar het grote verschil tussen dit beeld en de werkelijkheid. Om te beginnen: zo ziek was onze Alice helemaal niet. Ze bracht jarenlang in sanatoria door, zonder ooit tbc te hebben gehad. Wel had ze bronchitis, met mogelijk een begin van astma, en mogelijk een hartprobleem. Ze volgde allerlei kuren, in binnen- en buitenland. Maar intussen was ze niet ernstig ziek. En ze liet zich dan ook weinig gelegen liggen aan de sanatoriumdiscipline. Ze dook regelmatig ‘als een uitgelaten schoolkind’ op in het uitgaansleven. En toen ze dan eindelijk aan de verpleeghuizen was ontsnapt, leidde ze een ongeregeld nomadenbestaan.

Voor politiek had ze weinig gevoel. Voor filosofie evenmin. En een vrome maagd was Alice ook al niet. Volgens sommigen was zij nymfomaan, volgens anderen onderhevig aan sterke stemmingswisselingen. Sommige mannen vonden haar ‘een lekker stuk’, anderen spraken van haar ‘ledige onbenulligheid en achterbuurtsche pose’. Bij de ontluistering van het beeld past dan ook nog wel een mogelijke zwangerschap. Er zijn sterke aanwijzingen voor een miskraam, of zelfs een abortus – in 1931. In 1933 overleed ze aan een hartkwaal.

Alle gegevens daarover zijn hier te vinden, inclusief de foto’s van de dichteres op haar sterfbed. Het is allemaal goed uitgezocht en degelijk gedocumenteerd en het wordt allemaal levendig en uitvoerig verteld, tot en met de achtergronden en publicatiegeschiedenissen van tweede- en derderangs literaire figuren als Broerke Wieërs. En de poëzie van Nahon zelf? Daar gaat het gelukkig maar niet te veel over. Dat hoeft ook niet. Sommige regels spreken voor zichzelf: „De kruiwagen knerste van pieperdepiep. / Opeens zweeg het wielken.”. We weten nu alles van de vrouw die ze schreef. Een uitstekende biografie, van een waardeloze dichteres.

Manu van der Aa: Ik heb de liefde liefgehad. Het leven van Alice Nahon. Lannoo, 328 blz. € 22,50.

    • Guus Middag