Aandeelhouder moet zich druk maken over zaken van echt belang

Jagen is niet moeilijk als de doelwitten groot en traag zijn. Niettemin zou de beleggersopstand tegen de aan topmanagers van Shell uitgekeerde bonussen wel eens iets meer om het lijf kunnen hebben dan een potje ‘vrij schieten’. Het door 59 procent van de aandeelhouders van het olieconcern uitgesproken ‘nee’ was een krachtige uiting van ontevredenheid. Maar dat betekent nog niet dat beleggers al helemaal klaar zijn voor het grote spel van strategische discussies met het bestuur.

Gesteggel over salarissen en bonussen is makkelijk. Het onderwerp leent zich voor simplificatie, en de media zijn betrouwbare bondgenoten in campagnes tegen vette bonussen voor ontoereikende prestaties. Maar de herrie over het bonusprogramma van Shell heeft een diepgaander debat over belangrijker kwesties naar de achtergrond gedrongen.

De commissie die zich bezighoudt met de vergoedingen had een paar goede argumenten voor het uitoefenen van de door de aandeelhouders aan haar toegekende bevoegdheid om een formule te negeren die was gebaseerd op het totale aandeelhoudersrendement. Het was helemaal niet zo’n eenduidige zaak als de uitslag van de stemming doet vermoeden. Die uitslag lijkt mede te zijn veroorzaakt door ontevredenheid over eerder gebruik door de commissie van haar bevoegdheden.

De beloning van managers is een belangrijke kwestie, die een bijdrage levert aan het vaststellen van de bedrijfscultuur. Maar als het gaat om zwaarwichtiger vraagstukken, hebben de aandeelhouders meer moeite om in actie te komen. Een paar maanden lang leek het erop dat beleggers Barclays zouden straffen voor het negeren van hun wensen, toen de Britse bank in oktober besloot tegen hoge kosten kapitaal te gaan binnenhalen uit het Midden-Oosten. De herverkiezing van de president-commissaris stond op het spel. Maar hij wist zijn baan te houden dankzij intensieve lobby en scherpe stijging van de koers.

Barclays mag dan een goed verhaal hebben gehad, de bankencrisis had minder zwaar kunnen zijn als aandeelhouders – en toezichthouders – minder snel bereid waren geweest geloof te hechten aan beweringen van het management inzake fundamentele kwesties als de strategie en het balansrisico.

Het verhaal van Shell toont aan dat beleggers wel degelijk in het geweer kunnen komen. Maar dat is meestal wel een signaal dat ze dat in het verleden hebben verzuimd en dat ze toen te weinig constructieve betrokkenheid aan de dag hebben gelegd. Het zou het kapitalisme – en niet alleen dat in Engeland – ten goede komen als er minder grote conflicten zouden zijn over secundaire kwesties als managementsalarissen en de aandeelhouders zich meer zouden inlaten met zaken van groter belang.

    • Christopher Hughes