60 doden bij aanslagen in Irak

Bij bomaanslagen in Bagdad en de noordelijke oliestad Kirkuk zijn de afgelopen twee dagen meer dan zestig mensen om het leven gekomen. Hoewel de Iraakse autoriteiten en het Amerikaanse leger steeds onderstrepen dat het geweld aanzienlijk is verminderd vergeleken met 2006 en 2007 worden nog steeds dagelijks aanslagen gepleegd en neemt hun aantal de laatste tijd weer toe. April was de bloedigste maand sinds een half jaar.

Woensdag vielen in een shi’itische wijk in de Iraakse hoofdstad 41 doden toen een bom ontplofte in de buurt van enkele eethuizen. Gisteren werden zeker 12 mensen gedood en 25 gewond bij een zelfmoordaanslag gericht tegen een Amerikaanse patrouille op een christelijke markt in Dora in het zuiden van Bagdad. Onder de doden waren volgens Amerikaanse functionarissen drie Amerikaanse militairen. Elders in Bagdad werden bij een bomexplosie drie politiemannen gedood.

Eerder op de dag waren zeven sunnitische militieleden gedood en acht gewond toen een zelfmoordterrorist zich tot ontploffing bracht bij een militaire basis waar ze op hun soldij stonden te wachten. De slachtoffers waren leden van de Sahwa’s, milities van voor een deel ex-opstandelingen die zich tegen extremistische groepen als Al-Qaeda-in-Irak hebben gekeerd. Zowel de aanslagen in Bagdad als die in Kirkuk worden toegeschreven aan Al-Qaeda.

Met het toenemend geweld en de realisatie dat Al-Qaeda wel is teruggeslagen maar niet verslagen, groeit in Irak bezorgdheid over het komend vertrek van alle Amerikaanse troepen uit de steden. Volgens het Amerikaans-Iraakse troepenakkoord dat 1 januari van kracht werd, moet die terugtrekking voor 1 juli een feit zijn. Tot dusverre houdt de Iraakse regering vol dat aan de bepalingen van het verdrag niet kan worden getornd. (AP, AFP)